Meer info
     

08/06/1867 Strafwetboek
Strafwetboek van 8 juni 1867

Hoofdstuk II Misdaden en wanbedrijven tegen de uitwendige veiligheid van de Staat

Artikel 113
[Iedere Belg die de wapens tegen België opneemt, wordt gestraft met [levenslange hechtenis].]
[Voor de toepassing van deze bepaling geldt als het opnemen van de wapens tegen België het feit dat men voor de vijand wetens een taak vervult van strijd, vervoer, arbeid of bewaking, die normaal op de vijandelijke legers of hun diensten rust.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 Besl. W. 11 oktober 1916 (B.S., 15-21 oktober 1916), gewijzigd bij art. 1 Besl. W. 17 december 1942 (B.S., 29 december 1942) en bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996).

Artikel 114
[Hij die met een vreemde mogendheid of met enige persoon die in het belang van een vreemde mogendheid handelt, kuiperijen pleegt of in verstandhouding treedt met het oogmerk of die mogendheid tot het voeren van oorlog tegen België te bewegen of om haar daartoe middelen te verschaffen, wordt gestraft met hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar. Indien daaruit vijandelijkheden zijn gevolgd, wordt hij gestraft met levenslange hechtenis.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 24 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij art. 1 W. 4 augustus 1914 (B.S., 5 augustus 1914) en gewijzigd bij enig art., 1° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937).

Artikel 115

§ 1

[Met [levenslange hechtenis] wordt gestraft:
Hij die het betreden van het grondgebied van het Rijk voor de vijanden van de Staat vergemakkelijkt;
Hij die hun steden, vestingen, plaatsen, posten, havens, magazijnen, arsenalen, schepen of vaartuigen, die aan België toebehoren, overlevert;
Hij die hen helpt door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens of munitie;
Hij die de voortgang van hun wapens op het grondgebied van het Rijk of tegen de Belgische strijdkrachten te land of ter zee bevordert, door officieren, soldaten, matrozen of andere burgers in hun trouw aan de Koning en de Staat te doen wankelen.
In de voormelde gevallen wordt de strafbare poging gelijkgesteld met de misdaad zelf.
De samenspanning die een van deze misdaden ten doel heeft, wordt gestraft met [hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar], indien er een daad op gevolgd is om de uitvoering ervan voor te bereiden, en met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar in het tegenovergestelde geval.]

[§ 2

De bepaling van § 1, vierde lid, is op hem die in het door de vijand bezette grondgebied verblijft, alleen dan toepasselijk:
Indien hij, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, de vijanden van de Staat helpt door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen bestemd voor de ravitaillering van de vijand, oorlogsmateriaal voor aanval of verdediging, eigenlijke oorlogsmunitie, onderdelen bestemd voor de vervaardiging van dat materiaal of van die munitie, kleding- of uitrustingsstukken waarvan hij weet dat zij voor militair gebruik bestemd zijn, of indien hij te hunnen behoeve een onderneming van werken tot het aanleggen, inrichten of camoufleren van versterkingen, vliegvelden of alle andere voor militaire doeleinden bestemde bouwwerken of installaties opricht of leidt;
Indien hij hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen, materialen of produkten verschaft, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn voor de vervaardiging van dat oorlogsmateriaal, van die munitie of van die kleding- of uitrustingsstukken of voor de uitvoering van die werken, tenzij hij bij deze leveringen alle te zijner beschikking staande middelen heeft aangewend om zich tegen het uitvoeren van de bestellingen van de vijanden van de Staat te verzetten;
Indien hij hun, hetzij rechtstreeks, hetzij door een tussenpersoon of als tussenpersoon, grondstoffen of bewerkte stoffen, produkten, levensmiddelen of dieren verschaft, wanneer die levering is geschied ingevolge aanzoeken of stappen gedaan bij hen of bij tussenpersonen die voor hun rekening handelen, of wanneer zij de oprichting, de verbouwing of de vergroting van de onderneming of de wijziging van de aard of van de bedrijfsmethoden daarvan heeft nodig gemaakt, of wanneer de produktie op een abnormaal peil is gehouden of tot dat peil is opgevoerd om hun bestellingen te kunnen uitvoeren, of wanneer de leverancier hun hulp heeft ingeroepen om sociale geschillen te beslechten of diensten van tegensabotage heeft ingericht;
Indien hij zijn werkzaamheid te hunnen dienste stelt om voor hun rekening de grondstoffen, bewerkte stoffen, produkten, levensmiddelen of dieren, onder 1°, 2° en 3° hierboven bedoeld, te verzamelen.]
Wetshistoriek
§ 1 vervangen bij art. 1 Besl. W. 11 oktober 1916 (B.S., 15-21 oktober 1916), gewijzigd bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996) en bij art. 25 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
§ 2 ingevoegd bij art. 1 Besl. W. 25 mei 1945 (B.S., 28-29 mei 1945).
Voorgeschiedenis
§ 1 gewijzigd bij enig art., 2° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937).

Artikel 116
[Met [levenslange hechtenis] wordt gestraft hij die voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen die voor de vijand geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de veiligheid van de Staat, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie wetens overlevert of meedeelt aan een vijandelijke mogendheid of aan enige persoon die in het belang van een vijandelijke mogendheid handelt.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996).

Artikel 117
[De straffen, bepaald in de artikelen 113, 115 en 116, zijn gelijk, onverschillig of de misdaden in die artikelen omschreven, tegen België zijn gepleegd dan wel tegen de bondgenoten van België die tegen de gemeenschappelijke vijand optreden.]
[Voor de toepassing van deze bepaling is “bondgenoot van België” elke Staat die, zelfs zonder verdrag van bondgenootschap, oorlog voert tegen een Staat waarmee België zelf in oorlog is.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 Besl. W. 11 oktober 1916 (B.S., 15-21 oktober 1916) en gewijzigd bij art. 2 Besl. W. 17 december 1942 (B.S., 29 december 1942).

Artikel 118
[Met [hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar] wordt gestraft, hij die voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen die geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de uitwendige veiligheid van de Staat, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, wetens overlevert of meedeelt aan een vreemde mogendheid of aan enige persoon die in het belang van een vreemde mogendheid handelt.
Indien de schuldige met een openbaar ambt of mandaat bekleed was, of een opdracht vervulde of een werk verrichtte die hem door de Regering waren toevertrouwd, wordt hij gestraft met [hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar].]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934), gewijzigd bij enig art., 3° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937) en bij art. 26 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).

Artikel 118bis
[Met [levenslange hechtenis] wordt gestraft hij die deelneemt aan het vervormen van wettelijke instellingen of organisaties door de vijand, de burgers in hun trouw aan Koning en Staat in oorlogstijd doet wankelen, of wetens de politiek of de oogmerken van de vijand dient.
Met [levenslange hechtenis] wordt eveneens gestraft hij die wetens enige propaganda leidt, door enigerlei middel voert, ze uitlokt, helpt of begunstigt, welke propaganda gericht is tegen het verzet tegen de vijand of zijn bondgenoten of ertoe strekt de feiten in het vorige lid opgenoemd te verwekken.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 3 Besl. W. 17 december 1942 (B.S., 29 december 1942) en gewijzigd bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996).

Artikel 119
[Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd [euro] tot vijfduizend [euro] wordt gestraft hij die wetens voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, overlevert of meedeelt aan een persoon die onbevoegd is om die in ontvangst te nemen of daarvan kennis te nemen.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, zonder verlof van de bevoegde overheid, voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, door enig procédé reproduceert, openbaar maakt of bekend maakt.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120
[Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd [euro] tot vijfduizend [euro] wordt gestraft hij die zich voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen als bedoeld in artikel 118, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, aanschaft of ze willens ontvangt, zonder dat hij bevoegd is om die in ontvangst te nemen of daarvan kennis te nemen.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120bis
[Met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd [euro] tot vijfduizend [euro] wordt gestraft:
Hij die, onder een vermomming of met verheling van zijn identiteit, beroep, hoedanigheid of nationaliteit, of door een handeling die ten doel heeft de voor de bewaking aangestelde personen te misleiden of hun waakzaamheid te verschalken, zich toegang verschaft hetzij tot een fort of enig verdedigingswerk, een post, een schip van de Staat of een schip door de Staat opgeëist of bevracht, een militaire, zeevaart- of luchtvaartinrichting, een militair depot, magazijn of park, hetzij tot een werkhuis, een werkplaats of een laboratorium waar werken in verband met de verdediging van het grondgebied voor de Staat worden uitgevoerd;
Hij die door een van de middelen, vermeld in het vorige lid, een plan opneemt, verkeerswegen, middelen van verbinding of van overseining verkent of inlichtingen inwint die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat;
Hij die enig middel van verbinding of van overseining inricht of aanwendt met het oogmerk om inlichtingen die van belang zijn voor de verdediging van het grondgebied of de uitwendige veiligheid van de Staat, in te winnen of over te zenden, zonder dat hij daartoe bevoegd is.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120ter
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot [een jaar] en met geldboete van zesentwintig [euro] tot honderd [euro] wordt gestraft:
Hij die, zonder verlof van de militaire, zeevaart- of luchtvaartoverheid, binnen een afstand van een myriameter of binnen enige andere door de minister van Landsverdediging later te bepalen afstand van een versterkte plaats, van een verdedigings werk, van een post, van een militaire of een zeevaartinrichting, van een luchtvaartinrichting, die niet een vliegveld of luchtvaartstation is, van een militair depot, magazijn of park, welke afstand gerekend wordt vanaf de buitenwerken, door enig procédé topografische opmetingen of verrichtingen doet of fotografische opnamen maakt van een van die plaatsen, werken of inrichtingen, of reprodukties van die opnamen uitgeeft, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt;
Hij die, zonder verlof, hetzij de bekledingen of de glooiingen van de versterkingen, hetzij de muren, afsluitingen, hekken, omheiningen, hagen of andere omschuttingen die zich bevinden op militaire terreinen, beklimt of overschrijdt, of een fort of een van de andere in artikel 120bis, 1°, bedoelde inrichtingen betreedt.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij enig art., 4° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937) en bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120quater
[De poging tot een van de misdrijven in de artikelen 116, 119, 120 tot 120ter omschreven, wordt beschouwd als zijnde het misdrijf zelf.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934).

Artikel 120quinquies
[Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd [euro] tot duizend [euro] wordt gestraft hij die, in strijd met de verordeningen, voorwerpen, plans, geschriften of bescheiden als bedoeld in artikel 118, verplaatst of in zijn bezit houdt, of zulke voorwerpen, plans, geschriften of bescheiden die hem zijn toevertrouwd of hem bekend zijn wegens zijn ambt, zijn staat, zijn beroep, een opdracht, een lastgeving, door nalatigheid of door niet-nakoming van de verordeningen geheel of ten dele laat vernietigen, ontvreemden of wegnemen, zelfs tijdelijk, of geheel of ten dele daarvan kennis, afschrift of reproduktie door enig procédé laat nemen.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120sexies
[Indien gepleegd in oorlogstijd:
Worden de in de artikelen 118, 119, 120 en 120bis omschreven misdrijven gestraft met [levenslange hechtenis];
Worden de in artikel 120ter omschreven misdrijven gestraft met [hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar];
Worden de in artikel 120quinquies omschreven misdrijven gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd [euro] tot vijfduizend [euro].]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934), gewijzigd bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996), bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9) en bij art. 27 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).

Artikel 120septies
[Onverminderd de toepassing van de artikelen 66 en 67, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro] hij die, bekend met de bedoelingen der daders van een van de in de artikelen 120 of 120bis omschreven misdrijven, of van de poging tot een van die misdrijven, hun een onderdak, een schuilplaats of een vergaderplaats verschaft, hun briefwisseling ontvangt of doorgeeft, de voorwerpen of werktuigen verbergt die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend of moesten dienen.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 120octies
De straffen, bepaald in de artikelen 118, 119, 120 tot 120septies, zijn gelijk, onverschillig of de misdrijven in die artikelen omschreven, tegen België zijn gepleegd dan wel tegen een Staat waarmee België met het oog op een gemeenschappelijke verdediging door een regionale regeling is verbonden.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij enig art. W. 19 maart 1956 (B.S., 1 april 1956).

Artikel 121
[Hij die verspieders of op verkenning uitgezonden vijandelijke soldaten, die hem als zodanig bekend zijn, verbergt of doet verbergen, wordt gestraft met levenslange opsluiting.
Hij die vijandelijke agenten of soldaten, weerbaar of gewond, verbergt of doet verbergen, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met levenslange opsluiting.
Hij die een onderdaan van een vijandelijke of met de vijand verbonden mogendheid verbergt of doet verbergen, of die hem te hulp komt om hem in de mogelijkheid te stellen zich aan de overheid te onttrekken, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. Bij staat van beleg wordt het misdrijf gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Hij die personen verbergt of doet verbergen van wie hij weet dat zij vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bedoeld in Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het Strafwetboek en in de artikelen 17 en 18 van de wet van 27 mei 1870 houdende het Militair Strafwetboek, of die hun te hulp komt om hen in de mogelijkheid te stellen zich aan het gerecht te onttrekken, wordt gestraft met de op dat misdrijf gestelde straf, zonder dat evenwel de uitgesproken straf vijftien jaar opsluiting of hechtenis mag te boven gaan.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op bloedverwanten in opgaande of nederdalende lijn, echtgenoten, zelfs na echtscheiding, broers of zusters, noch op aanverwanten in dezelfde graden van de daders van of de medeplichtigen aan de bedoelde misdrijven.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 28 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art. 1 Besl. W. 11 oktober 1916 (B.S., 15-21 oktober 1916) en bij art. 1 W. 13 december 1944 (B.S., 24 december 1944).

Artikel 121bis
[Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die wetens, door aangifte van een werkelijk of denkbeeldig feit, enige persoon aan opsporingen, vervolgingen of gestrengheden van de vijand blootstelt.
Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, indien de aangifte voor enige persoon vrijheidsberoving van meer dan een maand ten gevolge heeft, en zulks niet veroorzaakt is door een andere aangifte.
Hij wordt gestraft met levenslange opsluiting, indien de aangifte voor enige persoon ter oorzake van de ondergane hechtenis of behandeling ten gevolge heeft hetzij de dood, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking en zulks niet veroorzaakt is door een ander aangifte.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 29 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij art. 4 Besl. W. 17 december 1942 (B.S., 29 december 1942).

Artikel 122
[Wanneer zaken in brand gestoken of door enigerlei middel vernield worden met het oogmerk de vijand te begunstigen, worden de straffen die bij Titel IX, Hoofdstuk III, op deze feiten gesteld zijn, vervangen als volgt:
gevangenisstraf door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;
opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar;
opsluiting van vijftien jaar en meer door levenslange opsluiting;
poging tot brandstichting of vernieling wordt beschouwd als zijnde de misdaad zelf.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 30 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij art. 1 Besl. W. 11 oktober 1916 (B.S., 15-21 oktober 1916).

Artikel 122bis
Onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd [euro] tot vijfduizend [euro] hij die een militaire inlichtingsdienst opricht of verzorgt, die op het grondgebied van het Rijk in het belang en in het nadeel van vreemde mogendheden werkt, hij die enige werkzaamheid in zodanige dienst uitoefent, onder meer hetzij door medewerkers of agenten voor die dienst aan te werven, hetzij door voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen welke niet kennelijk openbaar zijn en betrekking hebben op de militaire organisatie of het verdedigingsstelsel van een vreemde mogendheid, op de wapen-, munitie- of levensmiddelenvoorziening van haar strijdkrachten te land, ter zee of in de lucht of op het materiaal aldaar in gebruik, geheel of ten dele, in origineel of in reproduktie, wetens over te leveren aan de dienst of hem die mee te delen, hetzij door de bedoelde voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen door te geven aan een andere vreemde mogendheid of aan een persoon die in het belang van die mogendheid handelt.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 1 Besl. W. 31 december 1939 (B.S., 13 januari 1940) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 123
Hij die door vijandelijke handelingen, door de Regering niet goedgekeurd, de Staat aan vijandelijkheden van een vreemde mogendheid blootstelt, wordt gestraft met hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, en, indien daaruit vijandelijkheden zijn gevolgd, met hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.

Artikel 123bis
[Onverminderd de toepassing van artikel 1 van de wet van 7 juli 1875 en van de artikelen 66 en 67 van dit wetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot [drie jaar] en met geldboete van vijftig [euro] tot duizend [euro]:
Het aanbod of het voorstel om een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 113 tot 120bis, 121 tot 123, te plegen;
De aanvaarding van dat aanbod of van dat voorstel.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij enig art., 5° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937) en bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 123ter
[Indien de misdrijven, in de artikelen 115 tot 120quater, 120sexies, tot 123bis omschreven, uit winstbejag zijn begaan, worden de [sommen, de goederen of de rechtstreekse of onrechtstreekse voordelen van welke aard ook, die de werkzaamheid van de schuldige heeft opgebracht,] tot eigendom van de Schatkist verklaard; [indien zij niet in beslag zijn genomen, wordt een met hun waarde overeenstemmend bedrag] tot eigendom van de Schatkist verklaard.]
[In hetzelfde geval worden de in de artikelen 119 en 120 bepaalde gevangenisstraffen vervangen door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en tijdelijke hechtenis door tijdelijke opsluiting van gelijke duur.]
[Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, wordt [levenslange opsluiting] vervangen overeenkomstig artikel 80.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934), gewijzigd bij art. 1 W. 7 juni 1948 (B.S., 13 juni 1948), bij art. 15 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996) en bij art. 31 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij enig art., 6° W. 10 december 1937 (B.S., 24 december 1937).

Artikel 123quater
De samenspanning om een misdaad of een wanbedrijf tegen personen of eigendommen te plegen, gesmeed met het oogmerk om in oorlogstijd hetzij de verdediging van het grondgebied, hetzij de mobilisatie, hetzij de wapen-, munitie- of levensmiddelen voorziening van het leger te belemmeren, wordt, onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, gestraft met de straffen, in artikel 123bis bepaald.
Wordt de samenspanning in oorlogstijd gesmeed, dan wordt zij met [opsluiting van vijf jaar tot tien jaar] gestraft.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934) en gewijzigd bij art. 32 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).

Artikel 123quinquies
De verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen, wordt altijd uitgesproken, evenals de verbeurdverklaring van de plans, kaarten, geschriften, bescheiden, afschriften, opmetingen, fotografische opnamen, gezichten, reprodukties en alle andere door het misdrijf verkregen zaken.
[In de gevallen van de artikelen 119, 120, 120bis, 121bis, 122bis en 123quater, kunnen de tot gevangenisstraf veroordeelden verwezen worden tot levenslange of tijdelijke ontzetting van de rechten, genoemd in [artikel 31, eerste lid].]]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 1 W. 19 juli 1934 (B.S., 27 juli 1934), gewijzigd bij art. 2 Besl. W. 31 december 1939 (B.S., 13 januari 1940) en bij art. 8 Wet 14 april 2009 (BS 15 april 2009 (ed. 3)), met ingang van 15 april 2009 (art. 70).

Artikel 123sexies

[§ 1

[In afwijking van de artikelen 31 en 32, wordt bij de vonnissen of arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, respectievelijk een langere termijn of tot hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van vijftien jaar tot twintig jaar wegens een misdrijf of poging tot een misdrijf als omschreven in Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het Strafwetboek, in oorlogstijd gepleegd, tegen de veroordeelden geen ontzetting van de daarin bedoelde rechten uitgesproken, maar brengen die vonnissen of arresten van rechtswege levenslange vervallenverklaring mee van:]
De rechten genoemd in het vorenbedoelde artikel 31, met inbegrip van het recht om te stemmen, te kiezen en verkozen te worden;
Het recht om ingeschreven te zijn op een tabel van de orde van advocaten, op een lijst van ereadvocaten of op een lijst van advocaten-stagiairs;
Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan enig onderwijs dat in een openbare of private inrichting wordt gegeven;
Het recht om als bedienaar van een eredienst door de Staat te worden bezoldigd;
Het recht om leider van een politieke vereniging te zijn;
Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan de exploitatie, de administratie, de redactie, het drukken of verspreiden van een dagblad of van om het even welke publikatie, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;
Het recht om deel te nemen aan het bestuur of de administratie van enige demonstratie van culturele, filantropische en sportieve aard of van enige openbare vermakelijkheid, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;
Het recht om deel te nemen aan de exploitatie, aan het beheer of op enigerlei wijze aan de werkzaamheden van enige onderneming voor toneelvoorstellingen, cinematografie of radio-omroep, ingeval deze deelneming een politiek karakter heeft;
Het recht om in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan het beheer, de zaakvoering of het bestuur van een beroepsvereniging of een vereniging zonder winstgevend doel.

§ 2

In afwijking van de artikelen 32 en 33 kan bij de vonnissen of arresten van veroordeling tot andere criminele straffen of tot correctionele straffen wegens een misdrijf of poging tot een misdrijf als omschreven in boek II, titel I, hoofdstuk II van het Strafwetboek, in oorlogstijd gepleegd, geen ontzetting van rechten als omschreven in de genoemde artikelen worden uitgesproken, maar wel tijdelijke vervallenverklaring van alle rechten of van een deel van de rechten in de vorige paragraaf genoemd.
De vervallenverklaringen bepaald in de kieswetten, met inbegrip van [de artikelen 6 en 7 van het Kieswetboek], zijn in ieder geval van toepassing.
[De vervallenverklaringen kunnen worden uitgesproken voor een duur van tien jaar tot twintig jaar als de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of van tien jaar tot vijftien jaar is en voor een duur van vijf jaar tot tien jaar als het een correctionele straf betreft.] De tijd van de vervallenverklaringen bepaald bij het vonnis of het arrest van veroordeling, gaat in op de dag dat de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.]
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 1 W. 30 juni 1961 (B.S., 1 juli 1961).
§ 1, enig lid, inleidende bepaling vervangen bij art. 33, 1° W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
§ 2 gewijzigd bij art. 145 W. 5 juli 1976 (B.S., 29 juli 1976) en bij art. 33, 2° W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).
Voorgeschiedenis
§ 1 gewijzigd bij art. 16 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996).

Artikel 123septies

[§ 1

De veroordeelden die vervallen verklaard zijn met toepassing van artikel 123sexies, kunnen herstel aanvragen in de rechten genoemd onder 6° tot 9°, op voorwaarde:
Dat zij niet in hechtenis zijn ter uitvoering van hun straf, niet voortvluchtig zijn of zich niet versteken;
Dat zij de tegen hen uitgesproken geldboeten hebben voldaan en de teruggave, schadevergoedingen en kosten waartoe zij zijn veroordeeld, hebben gekweten; evenwel kan de rechtbank de veroordeelde van deze voorwaarde ontslaan indien hij bewijst dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om zich van die verplichtingen te kwijten, hetzij wegens onvermogen, hetzij wegens een andere oorzaak die niet aan hem te wijten is;
Dat sinds de dag waarop de vervallenverklaring is ingegaan, een termijn verstreken is van twintig jaar zo de veroordeelde is vervallen verklaard voor het leven, van tien jaar zo hij is vervallen verklaard voor tien jaar tot twintig jaar ten gevolge van een veroordeling tot [opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar of van tien jaar tot vijftien jaar], en van vijf jaar zo hij is vervallen verklaard voor vijf jaar tot tien jaar ten gevolge van een veroordeling tot een correctionele straf.

§ 2

De aanvraag wordt bij een ter post aangetekende brief gezonden aan de procureur des Konings van de woonplaats of de verblijfplaats van de betrokkene en, indien deze in België noch woonplaats noch bepaalde verblijfplaats heeft, aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.
De procureur des Konings wint alle inlichtingen in die hij nodig oordeelt, en brengt de aanvraag voor de rechtbank van eerste aanleg.
De betrokkene verschijnt voor de rechtbank in raadkamer, hetzij in persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij een advocaat, houder van de stukken, op eenvoudige oproeping die hem door de procureur des Konings bij een ter post aangetekende brief wordt toegezonden.
Die oproeping vermeldt voor welke kamer van de rechtbank de aanvraag wordt gebracht, alsmede dag en uur van verschijning. Tussen de kennisgeving en de verschijning moeten ten minste acht dagen verlopen. De afgifte van de ter post aangetekende brief geldt als kennisgeving.
Indien de betrokkene na de kennisgeving niet verschijnt, hetzij in persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij een advokaat, houder van de stukken, kan de rechtbank, alvorens over de aanvraag uitspraak te doen, de zaak uitstellen om het openbaar ministerie gelegenheid te geven hem een nieuwe oproeping te zenden.
Het dossier van het openbaar ministerie wordt ten minste acht dagen voor de vastgestelde terechtzitting op de griffie van de rechtbank neergelegd. De rechtspleging wordt op de terechtzitting vervolgd zoals in correctionele zaken.
Het op de aanvraag gewezen vonnis is niet vatbaar voor hoger beroep.
Indien de aanvraag geheel of ten dele afgewezen wordt, kan zij niet worden hernieuwd voordat twee jaren zijn verstreken sedert de rechterlijke uitspraak.
Bij overlijden van de betrokkene kan elk beroep en elke aanvraag, in deze wet bepaald, worden voortgezet door zijn echtgenoot, zijn bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, of zijn broeders en zusters.
Zij kunnen insgelijks voortgezet worden door een of meer rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel die van een geldelijk belang doen blijken.

§ 3

Herstel in de rechten waarvan de veroordeelden met toepassing van het vorige artikel vervallen verklaard waren, heeft slechts gevolg voor de toekomst.]
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 1 W. 30 juni 1961 (B.S., 1 juli 1961).
§ 1, enig lid, 3° gewijzigd bij art. 34 W. 23 januari 2003 (B.S., 13 maart 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 13 maart 2003 (art. 128).

Artikel 123octies
[Wanneer het vonnis of het arrest dat met toepassing van artikel 123sexies levenslange of tijdelijke vervallenverklaring van rechten ten gevolge heeft, in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendmaken, met vermelding van de uitgesproken of daaruit voortvloeiende vervallenverklaring. Het openbaar ministerie betekent het tevens bij uittreksel aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats met het oog op de inschrijving van deze vermelding in het bevolkingsregister. Deze vermelding moet in het bevolkingsregister van elke nieuwe woonplaats worden overgeschreven.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 30 juni 1961 (B.S., 1 juli 1961).

Artikel 123nonies
[Hij die, in weerwil van de vervallenverklaring die voortvloeit uit de toepassing van artikel 123sexies, § 1 of § 2, rechtstreeks of door een tussenpersoon gebruik maakt van een der in dat artikel genoemde rechten, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van tienduizend [euro] tot honderdduizend [euro].]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 1 W. 30 juni 1961 (B.S., 1 juli 1961) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).

Artikel 123decies
De vennootschappen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, geldboete, kosten, verbeurdverklaring, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken.
Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer het misdrijf door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of waarden die de verrichting hem opgebracht heeft.
Die vennootschappen en vennoten kunnen rechtstreeks door de strafrechter gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 2 Besl. W. 20 september 1945 (B.S., 21 oktober 1945).