[Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid de dood veroorzaakt van de persoon op wie zij is gepleegd, wordt de schuldige gestraft met [opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar].
[Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid is voorafgegaan door of gepaard gegaan met de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid, of opsluiting, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.]
Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid gepleegd is op een persoon [van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was], of onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp, wordt de schuldige gestraft met [opsluiting] van tien tot vijftien jaar.]
Vervangen bij art. 2 W. 4 juli 1989 (B.S., 18 juli 1989), gewijzigd bij art. 9 W. 28 november 2000 (B.S., 17 maart 2001 (tweede uitg.)), bij art. 3 W. 14 juni 2002 (B.S., 14 augustus 2002 (tweede uitg.)) en bij art. 5 Wet 26 november 2011 (BS 23 januari 2012).
Impliciet gewijzigd bij art. 3 W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996).