08/06/1867 Strafwetboek
Strafwetboek van 8 juni 1867
Afdeling II Misbruik van vertrouwen
Artikel 491
Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro].
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).
Artikel 492
De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op het misdrijf in het vorige artikel omschreven.
Artikel 492bis
Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd [euro] tot vijfhonderdduizend [euro] worden gestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.
De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 142 W. 8 augustus 1997 (B.S., 28 oktober 1997), met ingang van 1 januari 1998 (art. 1 K.B. 25 november 1997 (B.S., 4 december 1997)) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).
Artikel 493
Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro] wordt gestraft hij die misbruik maakt van de behoeften, de zwakheden, [de hartstochten of de onwetendheid] van een minderjarige [of van iedere andere persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was] om hem, te zijnen nadele, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen, handelspapieren of enig ander verbindend papier te doen tekenen, in welke vorm deze handeling ook verricht of vermomd mag zijn.
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 1 K.B. nr. 148, 18 maart 1935 (B.S., 20 maart 1935), bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9) en bij art. 40 Wet 26 november 2011 (BS 23 januari 2012).
Artikel 494
[Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van duizend [euro] tot tienduizend [euro] of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die de wettelijke interest overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de zwakheden of de hartstochten van de lener te misbruiken.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van die lening overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de behoeften of de onwetendheid van de lener te misbruiken.
In de gevallen van dit artikel vermindert de rechter, op vordering van elke benadeelde partij, haar verplichtingen overeenkomstig artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 2 K.B. nr. 148, 18 maart 1935 (B.S., 20 maart 1935) en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).
Artikel 495
Hij die, na in een rechtsgeding enige titel, enig stuk of enige memorie te hebben overgelegd, die titel, dat stuk of die memorie, op welke wijze ook, kwaadwillig of bedrieglijk verduistert, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig [euro] tot driehonderd [euro].
Deze straf wordt uitgesproken door de rechtbank waarbij het geschil aanhangig is.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).
Artikel 495bis
Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot duizend [euro], of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die een stuk dat hij onder zich heeft en waarvan de overlegging in rechte bij een vonnis wordt bevolen, bedrieglijk vernietigt, verandert of verbergt.]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 3 (art. 144) W. 10 oktober 1967 (B.S., 31 oktober 1967), met ingang van 1 januari 1969 (art. 4 K.B. 4 november 1968 (B.S., 13 november 1968))en gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).