30/07/1926 Wet onderzoeksraad scheepvaart
Wet van 30 juli 1926 tot instelling van eenen onderzoeksraad voor de scheepvaart
Hoofdstuk I Instelling en bevoegdheid van den onderzoeksraad voor de scheepvaart
Artikel 1
Er wordt een onderzoeksraad voor de scheepvaart ingesteld.
Deze raad heeft in opdracht om de oorzaken van de zeevaartongevallen welke de Belgische zeeschepen betreffen, op te sporen en vast te stellen.
Voor de toepassing van deze wet worden als zeeschepen beschouwd:
- 1°
- De schepen voorzien van eenen zeebrief;
- 2°
- De visschersbooten voorzien van het eigendomsbewijs;
- 3°
- Al de schepen welke later bij koninklijk besluit mochten aangeduid worden;
- 4°
- [De pleziervaartuigen bedoeld in de wet van 5 juli 2018 betreffende de pleziervaart.]
Wetshistoriek
Lid 3, 4° ingevoegd bij art. 19 Wet 5 juli 2018 (BS 17 juli 2018), met ingang van 1 juli 2018 (art. 31).
Artikel 1/1
Deze wet strekt tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (herschikking).
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 2 Wet 24 april 2014 (BS 28 juli 2014).
Artikel 2
De onderzoeksraad oefent daarbij disciplinaire rechtsmacht uit op de kapiteins en schippers, de dek- en machineofficieren en de hoofdtelegrafisten der in vorenstaand artikel bedoelde schepen, alsmede op elken, zelfs niet gediplomeerden persoon, die de verantwoordelijkheid draagt voor de wacht of belast is met het voeren van een schip.
Wanneer een der aan deze rechtsmacht onderworpen personen zijne beroepsplichten verzaakt heeft, kan de raad hem, zelfs bij afwezigheid van alle ongeval, eene tuchtstraf opleggen met inachtneming van de bij deze wet ingestelde rechtspleging.
Artikel 3
De [tuchtstraffen] zijn:
- de waarschuwing,
- de vermaning,
- de schorsing van diploma's of vergunningen en de ontzetting van het recht om voor eenen termijn van niet meer dan twee jaar in de betrekking te varen,
- de intrekking van diploma's of vergunningen en de ontzetting voorgoed van het recht om in de betrekking te varen.
De raad kan eenen officier een diploma of eene vergunning van een lageren graad dan dien welken hij bezat laten behouden.
Den houder van een buitenlandsch diploma, kan de raad ontzetten van het recht om aan boord van Belgische schepen in de betrekking te varen welke dit stuk hem toelaat te vervullen.
[De raad kan een geldboete opleggen van minimum 100 euro en maximum 12.500 euro, die in de Schatkist wordt gestort.
De geldboete kan samen met een andere tuchtstraf worden opgelegd.]
[In combinatie met voormelde tuchtstraffen kan de onderzoeksraad de betrokkene verplichten:
- 1°
- herhalings- of bijscholingslessen te volgen;
- 2°
- praktijkervaring op te doen met behulp van een simulator;
- 3°
- een examen af te leggen.
Het Directoraat-Generaal Scheepvaart van de Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer bezorgt de Rijkscommissaris jaarlijks een lijst met herhalingslessen, bijscholingslessen en examens voor de toepassing van het vorige lid.
]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 3, 1° en 2° Wet 24 april 2014 (BS 28 juli 2014) en bij art. 2 Wet 19 januari 2021 (BS 1 maart 2021 (ed. 1))), met ingang van 1 april 2021 (art. 19).
Artikel 4
Stelt de raad de lichamelijke ongeschiktheid vast van eenen der personen over welke hij rechtsmacht heeft, dan kan hij dezes diploma of vergunning schorsen of vernietigen; vaart die persoon zonder diploma of vergunning of is hij houder van een buitenlandsch diploma, zoo kan de raad hem ontzetten van het recht om in zijne betrekking te varen op de in artikel 1 bedoelde schepen.
[De raad kan de Belgische vaarbevoegdheidsbewijzen van personen die deze op fraudeleuze wijze hebben bekomen nietig verklaren.]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 4 Wet 24 april 2014 (BS 28 juli 2014).
Artikel 5
De rechtsmacht van den raad is van louter administratieven aard en de straffen welke hij uitspreekt, hebben uitsluitend betrekking op de tucht.
Zijne uitspraken zijn voor den rechter geenszins bindend ten aanzien van de schadeloosstelling in strafzaken of van de beteugelende vervolgingen.
Artikel 6 Opheffingsbepalingen
Artikel 7
Wanneer eene der tuchtstraffen voorzien bij letter B van artikel 5 van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij, door de bevoegde overheden is toegepast geworden, mag de raad bovendien tot een der tuchtmaatregelen besluiten, bij artikel 3 van deze wet voorzien.
Artikel 8
De schorsing van de geldigheid van diploma's of vergunningen uitgesproken tegen eenen persoon die veroordeeld werd of later veroordeeld wordt tot eene de vrijheid ontnemende straf, loopt niet gedurende den tijd dat de veroordeelde zijne straf ondergaat of laat verjaren.
Artikel 9
De Onderzoeksraad neemt bovendien kennis van het beroep tegen de beslissingen van de bevoegde overheid ingesteld overeenkomstig artikel 18 van de wet op de veiligheid [van de vaartuigen].
[De Onderzoeksraad neemt bovendien kennis van de beroepen tegen de beslissingen van de bevoegde overheid ingesteld overeenkomstig artikel 6, vierde lid en artikel 9, vijfde lid van de wet van 30 januari 2012 tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet inzake de verzekering van scheepseigenaren tegen maritieme vorderingen.]
[De Onderzoeksraad neemt bovendien kennis van de beroepen tegen de beslissingen van de bevoegde overheid ingesteld overeenkomstig artikel 8, vijfde lid van de wet van 30 januari 2012 tot regeling van aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet inzake de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen.]
[De onderzoeksraad neemt bovendien kennis van de beroepen tegen de beslissingen van de scheepvaartcontrole ingesteld overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de wet van 5 juli 2018 betreffende de pleziervaart.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 34 W. 5 juni 1972 (B.S., 17 oktober 1972), gewijzigd bij art. 37 W. 22 januari 2007 (B.S., 16 maart 2007 (tweede uitg.)), bij art. 2 Wet 30 januari 2012 (BS 2 maart 2012 (ed. 1)), bij art. 2 Wet 30 januari 2012 (BS 17 september 2012) en bij art. 20 Wet 5 juli 2018 (BS 17 juli 2018), met ingang van 1 juli 2018 (art. 31).
Artikel 10
[In het geval voorzien bij artikel 14, § 1, tweede lid, van de wet op de veiligheid [van de vaartuigen], kan de voorzitter van de Onderzoeksraad voor de Zeevaart, na de kapitein of de scheepseigenaar gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, aan de bevoegde overheid machtiging verlenen een schip op te houden.]
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 34 W. 5 juni 1972 (B.S., 17 oktober 1972) en gewijzigd bij art. 37 W. 22 januari 2007 (B.S., 16 maart 2007 (tweede uitg.)).