17/02/2012 Vlarema
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Hoofdstuk 4 Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Afdeling 4.1 Indeling van afvalstoffen
Artikel 4.1.1
Straat- en veegvuil[, afval van straatvuilnisbakjes in beheer door een gemeente of intergemeentelijk samenwerkingsverband en afval van het opruimen van sluikstorten] worden gelijkgesteld aan huishoudelijke afvalstoffen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 44 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Artikel 4.1.2
Overeenkomstig artikel 22 van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen als bijzondere afvalstoffen aangewezen:
- 1°
- drukwerkafval;
- 2°
- afgedankte voertuigen;
- 3°
- afvalbanden;
- 4°
- afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
- 5°
- afgedankte batterijen en accu's;
- 6°
- andere [afvalolie] dan de olie, vermeld in 16°, g);
- 7°
- oude en vervallen geneesmiddelen;
- 8°
- gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën;
- 9°
- gebruikte wegwerpluiers;
- 10°
- afvallandbouwfolies;
- 11°
- zwerfvuil;
- 12°
- afval [van schepen] van de zee- en binnenvaart;
- 13°
- gebruikte injectienaalden;
- 14°
- afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen;
- 15°
- [bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product in het kader van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;]
- 16°
- de volgende afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen of slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren:
- a)
- stof dat vrije asbestvezels bevat;
- b)
- remschoenen, remschijven, remplaten, remblokken en koppelingsplaten die asbest bevatten;
- c)
- afgedankte batterijen en accu's;
- d)
- vervuilde of onbruikbare solventen;
- e)
- destillatieresidu's van solventrecuperatie, resten van verf, lak en vernis, slib van spuitcabines;
- f)
- synthetische remvloeistof;
- g)
- [afvalolie];
- h)
- vervuilde of onbruikbare brandstoffen;
- i)
- koelvloeistoffen;
- j)
- koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
- k)
- vervuilde filters van spuitcabines, spuitbussen, verpakkingen die gevaarlijke stoffen, met uitzondering van olie, hebben bevat of die door die stoffen werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
- l)
- oliehoudende stoffen, zoals oliefilters, brandstoffilters, gebruikt absorptiemateriaal, afvalstoffen uit de olie-waterafscheider, oliehoudende schokdempers, verpakkingen die olie hebben bevat of die door olie werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden;
- m)
- katalysatoren;
- n)
- patronen van airbags, die chemicaliën bevatten;
- 17°
- klein gevaarlijk afval;
- 18°
- papier- en kartonafval;
- 19°
- asbesthoudend afval;
- 20°
- pvc-afval;
- 21°
- afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
- 22°
- gebruikte pcb's;
- 23°
- medisch afval;
- 24.
- bouw- en sloopafval;
- 25°
- dierlijke bijproducten die voldoen aan de definitie van afvalstof;
- 26°
- afvalstoffen van de titaandioxide-industrie;
- 27°
- landbouwafvalstoffen;
- 28°
- mijnbouwafvalstoffen;
- 29°
- slib dat afkomstig is van de drinkwaterproductie, de reiniging van riolen, septische putten en vetvangers, en van waterzuiveringsinstallaties;
- 30°
- [afgedankte matrassen;]
- 31°
- [met fipronil verontreinigde pluimveemest: de mest, afkomstig van een pluimveebedrijf in het Vlaamse Gewest dat naar aanleiding van de fipronilcrisis geblokkeerd is, die op basis van een analyserapport van een laboratorium dat de Vlaamse overheid daarvoor erkend heeft, een totaal gehalte aan fipronil van meer dan 0,01 mg per kg verse stof bevat.]
Wetshistoriek
Enig lid:
- –
- 12° gewijzigd bij art. 45 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1));
- –
- 15° vervangen bij art. 70 B.Vl.Reg. 21 september 2018 (BS 17 december 2018), met ingang van 1 april 2019 (art. 80);
- –
- 6° en 16°, g) gewijzigd bij art. 35 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019);
- –
- 30° ingevoegd bij art. 17 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016);
- –
- 31° ingevoegd bij art. 5 B.Vl.Reg. 10 november 2017 (BS 4 december 2017), met ingang van 1 augustus 2017 (art. 6).
Artikel 4.1.3
[§ 1 ]
Onder gevaarlijke afvalstoffen worden de afvalstoffen verstaan die in de lijst, vermeld in bijlage 2.1, met een asterisk zijn aangeduid.
De afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, worden geacht minstens een van de gevaarlijke eigenschappen te bezitten als vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen [of als vermeld in verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 “Ecotoxisch”].
[§ 2
Als er onvoldoende informatie beschikbaar is over de samenstelling en herkomst van het afval, moet de gevaarlijke eigenschap HP14 “ecotoxisch” volgens een van de volgende methoden geëvalueerd worden:
- 1°
- een evaluatie op basis van de rekenregels die beschreven zijn in de bijlage van verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 “Ecotoxisch″. Verordening (EU) 2017/997 bepaalt ook dat de biologische beschikbaarheid van stoffen in rekening gebracht mag worden bij de indeling van de afvalstof. Dat gebeurt als volgt: als een afvalstof volgens de rekenregels als gevaarlijk wordt ingedeeld, en als die indeling alleen te wijten is aan de aanwezigheid van anorganische stoffen in de afvalstof, mag afgeweken worden van de rekenregels. In dat geval wordt de afvalstof geacht niet ecotoxisch te zijn als de concentratie van elk van de parameters in het extract zich onder de volgende grenswaarden van die respectieve parameter bevindt:
|
|
Uitloogbaarheid in mg/kg droge stof
(*)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(*)
|
uitloogbaarheid, bepaald met de enkelvoudige schudtest
|
- 2°
- een evaluatie van de afvalstoffen, vermeld in artikel 4.1.3, § 1, eerste lid, waarbij ze worden geacht “ecotoxisch” te zijn als het extract 50 % effect of meer opwekt bij minstens een van de volgende drie biotesten, uitgevoerd zoals vermeld in CMA/4/C voor methoden voor extractie en biotesten:
- a)
- Microtox;
- b)
- Daphnia immobilisatie;
- c)
- Algen groeiinhibitie.
De houder van het afval kiest de methode. Als een van beide methoden aangeeft dat het afval niet ecotoxisch is, is het gebruik van de tweede methode niet nodig. Als een gevaarlijke eigenschap van afval is beoordeeld zowel door middel van een test als vermeld in het eerste lid, 2°, als aan de hand van de rekenregels, vermeld in het eerste lid, 1°, hebben de testresultaten voorrang.
Andere biotesten, verdunningen of grenswaarden dan deze vermeld in het eerste lid, 2°, zijn niet toegelaten.
]
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 18 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016).
§ 1 genummerd bij art. 43 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024) en gewijzigd bij art. 36 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
§ 2 ingevoegd bij art. 43 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Artikel 4.1.4
§ 1
De minister kan op verzoek van de houder beslissen dat een specifieke op de lijst als gevaarlijk aangegeven afvalstof in individuele gevallen geen van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezit en dus geen gevaarlijke afvalstof is.
Een declassering kan worden toegestaan voor een bepaalde afvalstof van een specifieke productieplaats en voor een specifieke productiestap binnen het productieproces.
§ 2
De houder van de afvalstof dient per [beveiligde zending] een verzoek tot declassering in op het adres van de OVAM. De aanvraag moet minstens de volgende gegevens bevatten:
- 1°
- de identificatie van de houder;
- 2°
- de identificatie van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop het verzoek betrekking heeft;
- 3°
- de aard van de afvalstof (de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1);
- 4°
- een kopie van de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit] voor het proces waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing;
- 5°
- een gedetailleerde beschrijving van de stap uit het productieproces waarin de afvalstof ontstaat. De beschrijving moet zo opgesteld worden dat aangetoond wordt waarom de gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet van toepassing zijn;
- 6°
- voor de gevaarlijke eigenschappen [HP3 tot en met HP8, HP10 en HP11] wordt aan de hand van analyseresultaten aangetoond dat de grenswaarden, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet overschreden worden;
- 7°
- voor de andere gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, wordt gemotiveerd waarom ze niet aanwezig kunnen zijn in de afvalstof waarvoor het verzoek wordt ingediend. De houder van de afvalstof ondertekent en dateert het verzoek tot declassering. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld.
De minister doet uitspraak binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de aanvraag. Voorafgaand aan die uitspraak wint de minister het advies in van de OVAM.
De OVAM stuurt de beslissing op naar de houder van de afvalstof, per [beveiligde zending], binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing.
Elke wijziging van de administratieve gegevens van de houder van de afvalstof wordt aan de OVAM meegedeeld.
Wetshistoriek
§ 2, lid 1:
- –
- inleidende bepaling gewijzigd bij art. 37 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019);
- –
- 4° gewijzigd bij art. 100 B.Vl.Reg. 10 februari 2017 (BS 23 februari 2017 (ed. 3)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 176);
- –
- 6° gewijzigd bij art. 19 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016).
§ 2, lid 3 gewijzigd bij art. 37 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.1.5
De minister kan in met redenen omklede uitzonderingssituaties, gemotiveerd op wetenschappelijke gronden, beslissen dat individuele afvalstoffen die op de lijst als niet-gevaarlijk zijn aangeduid, toch een of meer van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezitten. Die afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen.
De EURAL-code van de afvalstof en de specifieke omstandigheden waarin de afvalstof als gevaarlijk wordt geklasseerd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de website van de OVAM.
Artikel 4.1.6
In afwijking van artikel 4.1.3 worden, voor zover dit selectief ingezameld huishoudelijk verpakkingsafval niet onder artikel 5.2.2.1, 10°, valt, niet als een gevaarlijke afvalstof beschouwd:
- 1°
- het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die reinigings- of onderhoudsmiddelen hebben bevat die uitsluitend in waterige fase kunnen worden gebruikt, en die een of meer gevaarlijke stoffen hebben bevat die worden aangeduid door de pictogrammen GHS07 (uitroepingsteken), GHS05 (corrosief), subcategorie H318, overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door de pictogrammen Xi-irriterend en C-corrosief overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
- 2°
- het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die voeding of cosmetica hebben bevat, en die een of meer gevaarlijk stoffen hebben bevat die worden aangeduid door het pictogram GHS02 (ontvlambaar) overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door het pictogram F–ontvlambaar overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 20 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016).
Afdeling 4.2 Indeling van afvalstoffenhandelingen
Artikel 4.2.1
Onder verwijderingshandelingen van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 26°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan:
|
|
|
|
|
storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een vuilstortplaats)
|
|
|
uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)
|
|
|
injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of van natuurlijk gevormde holten)
|
|
|
opslag in waterbekkens (bijvoorbeeld het lozen van vloeibaar of slibachtig afval in putten, vijvers of lagunen)
|
|
|
verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijk beklede, afgedekte cellen die van elkaar en van de omgeving afgeschermd zijn)
|
|
|
lozen/storten in wateren, behalve zeeën en oceanen
|
|
|
lozen/storten in zeeën en oceanen, inclusief inbrengen in de zeebodem
|
|
|
biologische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12
|
|
|
fysisch-chemische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12 (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
permanente opslag (bijvoorbeeld plaatsen van houders in mijnen)
|
|
|
vermengen voorafgaand een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12 (**)
|
|
|
herverpakken, voorafgaand aan de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D13
|
|
|
opslag, in afwachting van de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D14 (met uitsluiting van voorlopige opslag die voorafgaat aan inzameling op de plaats van productie)
|
(*) verboden op grond van EU-wetgeving en internationale verdragen en overeenkomsten
(**) als er geen andere passende D-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan verwijdering, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren of scheiden, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12.
Artikel 4.2.2
Onder handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 23°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan:
|
|
|
|
|
hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking (*)
|
|
|
terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen
|
|
|
recyclage/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen) (**)
|
|
|
recyclage/terugwinning van metalen en metaalverbindingen [(******)]
|
|
|
recyclage/terugwinning van andere anorganische materialen (***)
|
|
|
regeneratie van zuren of basen
|
|
|
terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan
|
|
|
terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren
|
|
|
herraffinage van olie en ander hergebruik van olie
|
|
|
uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering
|
|
|
gebruik van afvalstoffen die bij een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R10 vrijkomen
|
|
|
uitwisseling van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11 (****)
|
|
|
opslag van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R12 (met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie) (*****)
|
(*) Hieronder vallen ook verbrandingsinstallaties die specifiek bestemd zijn om vast stedelijk afval te verwerken, op voorwaarde dat hun energie-efficiëntie ten minste:
- 1°
- 0,60 bedraagt bij installaties die voor 1 januari 2009 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het [Decreet betreffende de omgevingsvergunning];
- 2°
- 0,65 bedraagt bij installaties waarvoor na 31 december 2008 een vergunning wordt afgegeven, zoals berekend met de volgende formule: energie-efficiëntie = (Ep - (Ef + Ei)) / (0,97 × (Ew + Ef)), waarbij:
- a)
- Ep = de hoeveelheid energie die jaarlijks als warmte of elektriciteit wordt geproduceerd. Bij de berekening wordt energie in de vorm van elektriciteit vermenigvuldigd met een factor 2,6, en warmte die wordt geproduceerd voor commerciële toepassingen, met een factor 1,1 (in GJ/jaar);
- b)
- Ef = de jaarlijkse energie-input in het systeem, afkomstig van brandstoffen die voor de productie van stoom worden gebruikt (in GJ/jaar);
- c)
- Ew = de hoeveelheid energie die is besloten in de jaarlijks verwerkte hoeveelheid afvalstoffen, berekend aan de hand van de netto calorische waarde van de afvalstoffen (in GJ/jaar);
- d)
- Ei = de hoeveelheid energie die jaarlijks wordt geïmporteerd, Ew en Ef niet meegerekend (in GJ/jaar);
- e)
- 0,97 = correctiefactor om rekening te houden met energieverliezen via bodemas en straling.
[De waarde van de energie-efficiëntieformule wordt op de onderstaande wijze met een klimaatcorrectiefactor (CCF) vermenigvuldigd:
- 1.
- CCF voor installaties die vóór 1 september 2015 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het toepasselijke Unierecht:
- CCF = 1 als HDD >= 3 350
- CCF = 1,25 als HDD <= 2 150
- CCF = – (0,25/1 200) × HDD + 1,698 als 2 150 < HDD < 3 350
- 2.
- CCF voor installaties waarvoor na 31 augustus 2015 een vergunning wordt afgegeven en voor installaties bedoeld in punt 1 na 31 december 2029:
- CCF = 1 als HDD >= 3 350
- CCF = 1,12 als HDD <= 2 150
- CCF = – (0,12/1 200) × HDD + 1,335 als 2 150 < HDD < 3 350
(De daaruit resulterende CCF-waarde zal worden afgerond tot op drie decimalen). Als HDD-waarde (Heating Degree Days — graaddagen voor verwarming) moet het gemiddelde van de jaarlijkse HDD-waarden voor de locatie van de verbrandingsinstallatie gelden, berekend over een periode van 20 opeenvolgende jaren vóór het jaar waarvoor de CCF wordt berekend.
De HDD-waarde moet aan de hand van de volgende door Eurostat vastgestelde methode worden berekend : HDD is gelijk aan (18 °C – Tm) × d als Tm minder bedraagt dan of gelijk is aan 15 °C (verwarmingsdrempel), en is gelijk aan nul als Tm meer bedraagt dan 15 °C, waarbij Tm de gemiddelde (Tmin + Tmax)/2 buitentemperatuur over een periode van d dagen is. De berekeningen moeten dagelijks worden uitgevoerd (d = 1) en voor een heel jaar worden opgeteld.
De formule wordt toegepast overeenkomstig het Europese referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor afvalverbranding. De berekeningswijze en de toepassing van de formule worden goedgekeurd en geverifieerd door de OVAM.]
[(**) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, vergassing en pyrolyse waarbij de componenten worden gebruikt als chemicaliën en nuttige toepassing van organisch materiaal in de vorm van opvulling.]
[(***) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, recycling van anorganisch bouwmateriaal, nuttige toepassing van anorganische materialen in de vorm van opvulling, en bodemreiniging die resulteert in sanering van de bodem.]
(****) Als er geen andere passende R-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan nuttige toepassing, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals demonteren, sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren, herverpakken, scheiden of mengen, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11.
(*****) Tijdelijke opslag als vermeld in dit artikel, betekent voorlopige opslag die niet plaatsvindt op de plaats van de productie.
[(******) Hieronder valt voorbereiding voor hergebruik.]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 722 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798), bij art. 21 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016) en bij art. 46, 1° tot 4° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Afdeling 4.3 Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen
Artikel 4.3.1
Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling:
- 1°
- klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong;
- 2°
- glazen flessen en bokalen;
- 3°
- papier- en kartonafval;
- 4°
- grofvuil;
- 5°
- [bioafval;]
- 6°
- textielafval;
- 7°
- afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
- 8°
- afvalbanden;
- 9°
- puin;
- 10°
- asbestcementhoudende afvalstoffen;
- 11°
- pmd-afval;
- 12°
- [afgedankte matrassen;]
- 13°
- [recycleerbare harde kunststoffen;]
- 14°
- [gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën.]
Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of, indien aantoonbaar niet mogelijk, naderhand uitgesorteerd worden:
- 1°
- houtafval;
- 2°
- metaalafval.
[...]
Wetshistoriek
Lid 1:
- –
- 5° vervangen bij art. 45, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 12° ingevoegd bij art. 22 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016), met ingang van 1 januari 2021 (art. 51, zelf vervangen bij art. 73 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018));
- –
- 13° en 14° ingevoegd bij art. 20 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018).
Lid 3 opgeheven bij art. 45, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Voorgeschiedenis
Lid 3 ingevoegd bij art. 47 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), met ingang van 31 december 2023 (art. 81).
Artikel 4.3.1/1
De uitbater van een handelszaak die, zowel tijdelijk als permanent, tabaksproducten, voedingsmiddelen of dranken verkoopt of aanbiedt die buiten de inrichting onmiddellijk kunnen worden verbruikt, moet instaan voor een correcte inzameling, verwijdering en verwerking van het afval dat daaruit ontstaat op het eigen of het bijbehorende terrein. De nodige maatregelen moeten worden genomen zodat de ingezamelde afvalstoffen maximaal kunnen worden hergebruikt of gerecycleerd.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 44 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Artikel 4.3.2
§ 1
Tenminste de volgende bedrijfsafvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden door de afvalstoffenproducent en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling:
- 1°
- klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong;
- 2°
- glasafval;
- 3°
- papier- en kartonafval;
- 4°
- gebruikte dierlijke en plantaardige oliën en vetten;
- 5°
- groenafval;
- 6°
- textielafval;
- 7°
- afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
- 8°
- afvalbanden;
- 9°
- inert puin, bestaande uit betonpuin, metselwerkpuin of mengpuin;
- 10°
- afvalolie;
- 11°
- gevaarlijke afvalstoffen;
- 12°
- asbestcementhoudende afvalstoffen en asbestverdachte materialen;
- 13°
- afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
- 14°
- afvallandbouwfolies;
- 15°
- afgedankte batterijen en accu's;
- 16°
- pmd-afval;
- 17°
- houtafval;
- 18°
- metaalafval;
- 19°
- afgedankte matrassen;
- 20°
- recycleerbare harde kunststoffen;
- 21°
- geëxpandeerd polystyreen;
- 22°
- folies;
- 23°
- keukenafval en etensresten;
- 24°
- levensmiddelenafval, al dan niet verpakt;
- 25°
- niet-teerhoudend asfaltpuin;
- 26°
- funderingsmaterialen die niet conform de bepalingen van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden;
- 27°
- verontreinigde fracties bouw- en sloopafval die achteraf niet kunnen uitgesorteerd worden bij een verwerker, waarna zij voldoen aan de acceptatiecriteria van de vergunde verwerker;
- 28°
- cellenbeton;
- 29°
- gipskartonplaten en gipsblokken;
- 30°
- (...)
- 31°
- (...)
- 32°
- (...)
- 33°
- (...)
Onder het woord geëxpandeerd polystyreen, vermeld in het eerste lid, 21°, wordt verstaan: zuiver piepschuim van verpakkingen met bolletjesstructuur.
Bouw- en sloopafval moet door de producent gescheiden van andere afvalstoffen worden aangeboden en gescheiden worden gehouden bij de ophaling of inzameling. Bouw- en sloopafval ontstaan door calamiteiten of dat op basis van andere wetgeving of op bevel van de politie of bevoegde autoriteiten onmiddellijk vernietigd of afgevoerd moet worden zonder verdere bewerkingen, vormt hierop een uitzondering.
§ 2
De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft en die een beroep doet op een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval is verplicht een contract af te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in de eerste paragraaf, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden.
De verplichting in het eerste lid geldt niet als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
- 1°
- het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
- 2°
- het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde met huishoudelijk afval;
- 3°
- voor de inzameling van het bedrijfsrestafval worden de kosten aangerekend overeenkomstig artikel 10 van het Materialendecreet.
§ 3
In afwijking van de eerste paragraaf kan de afvalstoffenproducent:
- 1°
- keukenafval, etensresten en onverpakt levensmiddelenafval samenvoegen in dezelfde inzamelrecipiënt;
- 2°
- keukenafval, etensresten, onverpakt levensmiddelenafval en levensmiddelenafval in zijn primaire verpakking samenvoegen in dezelfde inzamelrecipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
- a)
- de inzamelrecipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de verpakkingen en andere verontreinigingen gescheiden worden van keukenafval, etensresten en levensmiddelenafval;
- b)
- de afvalstoffenproducent heeft een contract gesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties en hun verdere behandeling worden gespecificeerd.
§ 4
In afwijking van de eerste paragraaf mag de afvalstoffenproducent papier- en kartonafval, houtafval, metaalafval, harde kunststoffen en folies samenvoegen in dezelfde recipiënt onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
- 1°
- het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties, waarbij de samenvoeging van de fracties het achteraf uitsorteren en de recyclage van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert of laagwaardiger maakt dan dat het geval zou zijn als de inzameling volledig gescheiden gebeurt;
- 2°
- de recipiënt bevat geen andere afvalstoffen, geen bouw- en sloopafval en geen bedrijfsrestafval;
- 3°
- als er een beroep gedaan wordt op een inzamelaar, handelaar of makelaar van afvalstoffen, sluit de afvalstoffenproducent daarmee een contract, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd, en waarin wordt vermeld dat de recipiënt geen andere afvalstoffen en geen bedrijfsrestafval mag bevatten;
- 4°
- de recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd.
§ 5
In afwijking van de verplichting, vermeld in de eerste paragraaf, mag de afvalstoffenproducent in dezelfde recipiënt verschillende fracties bouw- en sloopafval samenvoegen, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
- 1°
- het gaat om afval van bouw-, sloop- of renovatiewerken dat voldoet aan de definitie van bouw- en sloopafval volgens artikel 1.2.1, § 2, 11°/1 en waarbij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
- de aaneengesloten beschikbare ruimte voor het plaatsen en beladen van de inzamelrecipiënten bedraagt maximaal 40 m2;
- b)
- of de totale hoeveelheid gemengd bouw- en sloopafval die gedurende de uitvoering van de werf vrijkomt, is kleiner dan 40 m3;
- c)
- of er is een gemotiveerde verklaring van de veiligheidscoördinator die stelt dat de respectievelijke fracties niet gescheiden vrijkomen omwille van veiligheid, stabiliteit of technische uitvoeringsbeperkingen of gevaar voor werknemers;
- 2°
- het bouw- en sloopafval is rechtstreeks afkomstig van een actieve werf;
- 3°
- het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties. Asbesthoudende of asbestverdachte materialen, verontreinigde fracties bouw- en sloopafval en funderingsmaterialen die niet onder het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten kunnen verwerkt worden, zijn uitgesloten van deze gemengde inzameling;
- 4°
- het bouw- en sloopafval wordt beheerd zoals bepaald in onderafdeling 5.2.16.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 6 B.Vl.Reg. 7 juni 2024 (BS 8 augustus 2024), met ingang van 1 augustus 2024, uitgezonderd wat punt 33° betreft dat in werking treedt met ingang van een door de minister te bepalen datum en ten vroegste op 1 januari 2025, en wat punten 30° tot 32° betreft die in werking treden op 1 januari 2027 (art. 35).
Voorgeschiedenis
Lid 1:
- –
- inleidende bepaling gewijzigd bij art. 7, 1° B.Vl.Reg. 16 november 2012 (BS 19 december 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2013 (art. 25);
- –
- 9° vervangen bij art. 46, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 157);
- –
- 10° gewijzigd bij art. 38, 1° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019);
- –
- 12° vervangen bij art. 46, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 157);
- –
- 16° ingevoegd bij art. 1 B.Vl.Reg. 4 mei 2012 (BS 23 mei 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2013 (art. 8);
- –
- 17° en 18° ingevoegd bij art. 7, 2° B.Vl.Reg. 16 november 2012 (BS 19 december 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2013 (art. 25);
- –
- 19° ingevoegd bij art. 23 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016), met ingang van 1 januari 2021 (art. 51, zelf vervangen bij art. 73 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018));
- –
- 20° tot 22° ingevoegd bij art. 21, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018), met ingang van 1 juni 2018 (art. 72);
- –
- 23° en 24° ingevoegd bij art. 38, 2° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019), met ingang van 1 januari 2021 (art. 88);
- –
- 25° tot 29° ingevoegd bij art. 46, 3° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 157).
Lid 2 ingevoegd bij art. 21, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018), met ingang van 1 juni 2018 (art. 72).
Lid 4 vervangen bij art. 46, 4° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Lid 6 ingevoegd bij art. 46, 5° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 157).
Lid 7 ingevoegd bij art. 46, 6° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Lid 2 vervangen bij art. 7, 3° B.Vl.Reg. 16 november 2012 (BS 19 december 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2013 (art. 25).
Lid 3 ingevoegd bij art. 38, 3° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Lid 3 opgeheven bij art. 48, 1° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), met ingang van 31 december 2023 (art. 81).
Lid 4 ingevoegd bij art. 40, 1° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Lid 4 vervangen bij art. 48, 2° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Lid 5 vervangen bij art. 40, 2° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)) en gewijzigd bij art. 48, 3° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Lid 6 opgeheven bij art. 7, 4° B.Vl.Reg. 16 november 2012 (BS 19 december 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2013 (art. 25).
Lid 7 ingevoegd bij art. 40, 3° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Lid 7 vervangen bij art. 48, 4° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Artikel 4.3.3
§ 1
[De opmaak van een sloopopvolgingsplan volgens de standaardprocedure en de toepassing van het traceerbaarheidssysteem, vermeld in artikel 4.3.5, is verplicht bij:]
- 1°
- sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m3 voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m3 voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft;
- 2°
- [sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken in het kader van infrastructuurwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m3 en onderhoudswerken aan infrastructuur waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m3.]
Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld [door een deskundige zoals vermeld in [paragraaf 5], vierde lid,] in opdracht van de aanvrager van de omgevingsvergunning.
§ 2
Het sloopopvolgingsplan omvat de identificatie van de werf met daaraan gekoppeld een overzicht van alle afvalstoffen die zullen vrijkomen.
Per afvalstof worden de volgende gegevens opgenomen:
- 1°
- de benaming;
- 2°
- de bijbehorende EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1;
- 3°
- de vermoedelijke hoeveelheid, uitgedrukt in hoeveelheid of gewicht;
- 4°
- de plaats in het gebouw of infrastructuurwerk waar de afvalstof voorkomt, alsook de verschijningsvorm ervan;
- 5°
- de wijze waarop de afvalstof overeenkomstig artikel 4.3.2 tijdens de sloop-, renovatie, onderhouds- en ontmantelingswerken selectief zal worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd.
Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld op basis van een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van de OVAM.
[De standaardprocedure bepaalt minstens:
- 1°
- [...];
- 2°
- de wijze van opmaak van een sloopopvolgingsplan door een deskundige;
- 3°
- de wijze van opmaak van het controleverslag door een deskundige.
]
[De opdrachtgever voor de opmaak van het sloopopvolgingsplan bezorgt aan de sloopdeskundige de nodige informatie over het gebouw of infrastructuurwerk, geeft de sloopdeskundige toegang tot het gebouw of infrastructuurwerk en verleent de sloopdeskundige zijn medewerking zodat die het sloopopvolgingsplan kan opmaken conform de standaardprocedure.]
§ 3 [
Het sloopopvolgingsplan maakt deel uit van het vergunningsaanvraagdossier. Het conform verklaarde sloopopvolgingsplan maakt deel uit van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten.
[Het conform verklaarde sloopopvolgingsplan maakt deel uit van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten. In de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten wordt opgenomen dat er om een verwerkingstoelating en het sloopattest te verkrijgen, gewerkt moet worden volgens de voorwaarden, vermeld in de conformiteitsverklaring door de sloopbeheerorganisatie van het sloopopvolgingsplan.]
]
[§ 3/1
De sloopbeheerorganisatie attesteert de gescheiden en correcte afvoer van het gemengd bouw- en sloopafval en van de selectief gescheiden fracties bouw- en sloopafval die vrijkomen bij sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken aan de hand van de identificatieformulieren en afgiftebewijzen, vermeld in paragraaf 4.
De minister kan de attestering, zoals vermeld in het eerste lid, verder uitwerken in een standaardprocedure tracering.
]
§ 4 [
De uitvoerder van sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken bezorgt voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken aan de sloopbeheersorganisatie kopieën van de afgiftebewijzen van:
- 1°
- de afgevoerde gevaarlijke afvalstoffen en asbestverdachte materialen;
- 2°
- de potentieel verontreinigde sloopmaterialen, waarvan de verontreinigingskarakteristieken in het sloopopvolgingsplan niet zijn bepaald en welke achteraf niet kunnen uitgesorteerd worden bij een verwerker, waarna zij voldoen aan de acceptatiecriteria van de vergunde verwerker;
- 3°
- de puinfractie die door de puinbreker niet als puin met laagmilieurisicoprofiel is aanvaard.
De afgiftebewijzen en transportdocumenten van de overige afgevoerde afvalstoffen moeten op verzoek van de sloopbeheerorganisatie aan haar ter beschikking te worden gesteld.
Voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken bezorgt de uitvoerder van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken een sloopattest als vermeld in artikel 4.3.5, § 3, aan de houder van de omgevingsvergunning.
]
[§ 5
De sloopdeskundige voert de taken uit, vermeld in de standaardprocedure, vermeld in paragraaf 2.
De sloopdeskundige gebouwen kan de taken uitvoeren die zijn opgenomen in de uitgebreide procedure gebouwen en de verkorte procedure gebouwen, zoals bepaald in de standaardprocedure en de procedure infrastructuurwerken, en beschikt minstens over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10.
De sloopdeskundige infrastructuur kan de taken uitvoeren, vermeld in de procedure infrastructuurwerken, en beschikt minstens over een erkenning als bodemsaneringsdeskundige type I als vermeld in artikel 25/1 van het VLAREL, of over een persoonscertificaat asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 5.4.10 van dit besluit.
De minister kan bijkomende voorwaarden vastleggen waaraan de sloopdeskundige moet voldoen die betrokken is bij de opmaak van een sloopopvolgingsplan en een controleverslag als vermeld in paragraaf 2, en bij de toepassing van het traceerbaarheidssysteem, vermeld in artikel 4.3.5.
]
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 22 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018), van toepassing voor alle bouwwerken en infrastructuurwerken waarvoor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt aangevraagd vanaf 5 juni 2018 (art. 70).
§ 1, lid 1:
- –
- inleidende bepaling gewijzigd bij art. 49, 1° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1);
- –
- 2° vervangen bij art. 39 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
§ 1, lid 2 gewijzigd bij art. 49, 2° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1), en gewijzigd bij art. 7, 1° B.Vl.Reg. 7 juni 2024 (BS 8 augustus 2024), met ingang van 1 juli 2024 (art. 35).
§ 2, lid 4, ingevoegd bij art. 49, 3° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning.
§ 2, lid 4, 1° opgeheven bij art. 7, 2° B.Vl.Reg. 7 juni 2024 (BS 8 augustus 2024), met ingang van 1 juli 2024 (art. 35).
§ 2, lid 5 ingevoegd bij art. 47, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
§ 3 vervangen bij art. 49, 4° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
§ 3, lid 2 vervangen bij art. 47, 3° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
§ 3/1 ingevoegd bij art. 49, 5° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
§ 4 vervangen bij art. 47, 4° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
§ 5 ingevoegd bij art. 7, 3° B.Vl.Reg. 7 juni 2024 (BS 8 augustus 2024), met ingang van 1 juli 2024 (art. 35).
Voorgeschiedenis
§§ 1 en 4 gewijzigd bij art. 723 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798).
§ 2, lid 4 ingevoegd bij art. 49, 3° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1). Lid 4, 1° treedt in werking in werking 7 maanden na de publicatie van zowel het ministerieel besluit houdende certificatieregelement asbest, het inspectieprotocol asbestinventarisatie als het ministerieel besluit houdende retributies inzake asbestinventarisatie en ten vroegste op 1 maart 2022, voor alle onderhandse aktes of overeenkomsten tot overdracht van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die gesloten zijn vanaf die datum (art. 82, lid 2).
§ 2, lid 4, 1° vervangen bij art. 47, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
§ 4 vervangen bij art. 49, 6° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
Artikel 4.3.3/1
§ 1
De opdrachtnemer van de bouw-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de fracties bouw- en sloopafval, vermeld in artikel 4.3.2, bij het bouwen, slopen, ontmantelen of renoveren op de werf als een afzonderlijke fractie vrijkomen en is verantwoordelijk voor de correcte gescheiden inzameling en afvoer van de afvalstoffen op de bouw- en sloopwerf volgens de bepalingen van onderafdeling 5.2.16.
§ 2
Voor sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3, § 1 en bij nieuwbouwwerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m3 voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m3 voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft stelt de opdrachtnemer van de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken een afvalbeheer- en sloopplan op. Dit afvalbeheerplan moet beschikbaar zijn voor de start van de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.
Dit afvalbeheer- en sloopplan bevat minstens bepalingen omtrent:
- 1°
- de voorafgaande afvoer van de afvalfracties die geen bouw- en sloopafval zijn;
- 2°
- de fracties die gescheiden moeten worden ingezameld, conform artikel 4.3.2, en bestemd zijn voor hergebruik en materiaalrecyclage;
- 3°
- voor sloopwerken onder het toepassingsgebied van artikel 4.3.3, § 1 houdt het afvalbeheer- en sloopplan rekening met het conform verklaard sloopopvolgingsplan en geeft het bijkomend minstens:
- a)
- een beschrijving van de randvoorwaarden bij slopen en ontmantelen waaronder technische uitvoeringsbeperkingen en hinder- en veiligheidsaspecten. Dit gebeurt door een gemotiveerde verklaring van de veiligheidscoördinator dat de respectievelijke fracties niet gescheiden kunnen vrijkomen en kunnen ingezameld worden omwille van veiligheid, stabiliteit of gevaar voor werknemers;
- b)
- een beschrijving van de gebruikte sloopmethode en-technieken en daaruit volgend de bepaling van de mogelijke implicaties op de kwaliteit van de ingezamelde fracties;
- 4°
- de organisatie van de gescheiden inzameling op de werf van de verschillende afvalfracties;
- 5°
- een overzicht van de verschillende inzamelrecipiënten voor afvalstoffen met aanduiding van welke stoffen dit wel en niet zal bevatten in functie van de afvoer naar daartoe vergunde inrichtingen;
- 6°
- de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen in functie van het vrijkomen van de verschillende fracties tijdens de bouw-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.
Het afvalbeheerplan moet op eerste verzoek ter beschikking gesteld worden van de toezichthouder, de sloopbeheerorganisatie, de deskundige die het controlebezoek uitvoert in kader van de sloopopvolging en de OVAM.
De minister kan de bepalingen omtrent het afvalbeheer- en sloopplan, vermeld in het eerste lid, verder uitwerken. De OVAM kan een template van een afvalbeheer- en sloopplan ter beschikking stellen op zijn website.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 48 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 158).
Artikel 4.3.4
[Als de volgende afvalstoffen die afkomstig zijn van de zeevaart, gescheiden worden aangeboden, moeten die afzonderlijk] worden gehouden bij de ophaling of inzameling:
- 1°
- [hout;]
- 2°
- voedselafval, inclusief internationaal keukenafval;
- 3°
- spijsolie en -vetten;
- 4°
- papier en karton;
- 5°
- metaal;
- 6°
- glazen flessen en bokalen;
- 7°
- as van de verbrandingskamer;
- 8°
- dierlijke karkassen;
- 9°
- vistuig;
- 10°
- cargoresiduen;
- 11°
- grijs water;
- 12°
- zwart water
- 13°
- andere kleine gevaarlijke afvalstoffen, zoals:
- a)
- batterijen;
- b)
- verfafval;
- c)
- afgedankte vuurpijlen;
- d)
- lichtarmaturen;
- 14°
- oliehoudende vaste afvalstoffen;
- 15°
- bilges en sludge;
- 16°
- andere occasionele afvalstoffen, zoals:
- a)
- waswater dat afkomstig is van het cleanen van de ruimen;
- b)
- [sediment uit de ballastwatertanks;]
- c)
- hull biofouling;
- d)
- antifouling paintresidues;
- e)
- sludge, afkomstig van afvalwaterbehandeling aan boord;
- f)
- afval, afkomstig van apparatuur ter voorkoming van luchtemissies;
- g)
- afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
- 17°
- [niet recycleerbaar plastic en mengsels van plastics met andere afvalstoffen;]
- 18°
- [recycleerbare plastics, inclusief geëxtrudeerd polystyreen en andere vergelijkbare plastics;]
- 19°
- [aluminium drankblikjes.]
[In afwijking van het eerste lid [mag de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verschillende] afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
- 1°
- het zijn [...] afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
- 2°
- het recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
- 3°
- de afvalstoffenproducent, zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, daarover een contract heeft afgesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecifieerd.
]
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 8 B.Vl.Reg. 16 november 2012 (BS 19 december 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2013 (art. 25), gewijzigd bij art. 41, 1° en 2° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)) en bij art. 24 B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016).
Lid 1:
- –
- 1° vervangen bij art. 50, 1° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1));
- –
- 16°, b) vervangen bij art. 40 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019);
- –
- 17° tot 19° ingevoegd bij art. 50, 2° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Lid 2, 1° gewijzigd bij art. 50, 3° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Artikel 4.3.5
§ 1 [
[In dit artikel wordt verstaan onder sloopmateriaal: materiaal dat afkomstig is van sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.
Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten, vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, die gescheiden ingezameld is in uitvoering van een conform verklaard sloopopvolgingsplan en afgevoerd wordt naar een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, wordt voorafgaandelijk aan de afvoer, een verwerkingstoelating afgegeven door een erkende sloopbeheerorganisatie, tenzij anders is bepaald in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van de puinfractie van het sloopmateriaal.]
Voor alle ander sloopmateriaal, dat selectief is ingezameld in uitvoering van een goedgekeurd sloopopvolgingsplan, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een verwerkingstoelating afleveren voorafgaandelijk aan de afvoer. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal.
]
§ 2 [
Voor alle sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken, vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, moet een sloopattest afgegeven worden door een erkende sloopbeheerorganisatie, tenzij het anders bepaald is in de conformverklaring van het sloopopvolgingsplan.
]
§ 3
[Het sloopattest attesteert de [gescheiden] inzameling van het sloopmateriaal en de traceerbaarheid van de herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking van de sloopmaterialen. Het sloopattest wordt pas afgeleverd nadat het traceerbaarheidssysteem van een erkende sloopbeheerorganisatie correct is doorlopen, [...].]
De voorwaarden waaraan een traceerbaarheidssysteem moet voldoen, worden opgenomen in een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van OVAM.
[De standaardprocedure bepaalt:
- 1°
- [...]
- 2°
- de voorwaarden tot het behalen van een conformiteitsverklaring [voor het sloopopvolgingsplan] door een erkende sloopbeheerorganisatie binnen dertig [werkdagen] na de ontvangst van het sloopopvolgingsplan. Die conformiteitsverklaring kan een advies bevatten over de hergebruiks- en verwerkingsmogelijkheden van de sloopmaterialen;
- 2°/1
- [de voorwaarden waaronder de sloopbeheerorganisatie het sloopopvolgingsplan onvolledig kan verklaren en aanvullingen kan vragen. In dat geval wordt de termijn van dertig werkdagen geschorst vanaf de verzending van het verzoek om aanvullingen en begint de termijn van dertig werkdagen opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de verduidelijkingen;]
- 3°
- de voorwaarden waaronder een controleverslag door een deskundige vereist is [...]. Het controleverslag moet worden goedgekeurd door een erkende sloopbeheersorganisatie;
- 4°
- de voorwaarden tot het aanvragen en het verkrijgen van een verwerkingstoelating door een erkende sloopbeheersorganisatie binnen vijf [werkdagen] na de ontvangst van de aanvraag voor de afvoer en verwerking van sloopmateriaal door de uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken, voorafgaand aan de afvoer en verwerking van het sloopmateriaal bij de bestemmeling;
- 5°
- een controlesysteem dat het mogelijk maakt het transport van herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking te traceren. Dit controlesysteem bevat minstens de verplichte vermelding van de aanwezigheid van een verwerkingstoelating in de identificatieformulieren bij het transport van sloopmateriaal en in het acceptatieregister;
- 6°
- het opsturen van een ontvangstbevestiging van de geleverde hoeveelheid sloopmateriaal door de bestemmeling van het materiaal naar de erkende sloopbeheersorganisatie;
- 7°
- de voorwaarden voor de aflevering en de inhoud van een sloopattest door de erkende sloopbeheerorganisatie binnen een termijn van dertig [werkdagen] na de ontvangst van de aanvraag;
- 8°
- [de voorwaarden waaronder de sloopbeheerorganisatie de aanvraag van het sloopattest onvolledig kan verklaren en aanvullingen kan vragen. In dat geval wordt de termijn van dertig werkdagen geschorst vanaf de verzending van het verzoek om aanvullingen en begint de termijn opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de verduidelijkingen.]
]
De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure tot aanvraag van een sloopattest.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 42 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
§ 1 vervangen bij art. 23, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018) en gewijzigd bij art. 51, 1° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
§ 2 vervangen bij art. 49, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
§ 3 gewijzigd bij art. 23, 4° en 5° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018) en bij art. 51, 3° tot 7° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
§ 3, lid 3:
- –
- 2° gewijzigd bij art. 49, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 2°/1 ingevoegd bij art. 49, 3° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 4° gewijzigd bij art. 49, 4° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 7° gewijzigd bij art. 49, 5° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 8° ingevoegd bij art. 49, 6° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Voorgeschiedenis
§ 2 vervangen bij art. 23, 3° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018) en gewijzigd bij art. 51, 2° B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)), in werking op 1 juli 2022 voor alle nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning. Voor reeds aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunningen zijn de wijzigingsbepalingen niet van toepassing gedurende de duurtijd van de aangevraagde en uitgereikte omgevingsvergunning (art. 82, lid 1).
De wijziging bij art. 23, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018) kan niet uitgevoerd worden.
Artikel 4.3.6
§ 1
Om als sloopbeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen:
- 1°
- opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform [de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019], en als leden alleen organisaties hebben zonder winstgevend doel;
- 2°
- voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij de uitvoering van bouw- en sloopwerken. Een sloopbeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties zitten die voldoende representatief zijn voor de sectoren die actief zijn in de uitvoering van bouw- en sloopwerken;
- 3°
- de leden van de raad van bestuur kunnen aantonen dat ze voldoende onafhankelijk zijn van individuele bedrijven;
- 4°
- als statutair doel “het afleveren van sloopattesten, het leveren van studiewerk over selectieve sloop, het slopen en verwerken van afvalstoffen afkomstig van bouw- en sloopwerken en het verstrekken van informatie en advies over bouw- en sloopmaterialen” hebben;
- 5°
- een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van milieu en traceerbaarheidssystemen;
- 6°
- voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en het bijhouden van de volgende registers, die ter inzage van de toezichthoudende overheid op de exploitatiezetel liggen:
- a)
- een klachtenregister;
- b)
- een register van de sloopopvolgingsplannen, met inbegrip van de opmerkingen van de slooporganisatie op die verslagen. De sloopopvolgingsplannen inclusief de opmerkingen van de slooporganisatie worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
- c)
- een register van conformverklaringen van selectieve sloop. Die conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
- d)
- een register van de sloopattesten. De sloopattesten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
- 7°
- beschikken over een traceerbaarheidssysteem dat minstens voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.5, § 3;
- 8°
- [beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;]
- 9°
- [voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: beschikken over burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;]
- 10°
- [op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over specifieke transporten;]
- 11°
- [op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over de aard, de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van de materiaalstromen, zoals opgenomen in het sloopattest.]
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, worden alle documenten in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.
§ 2
De grondige kennis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM, of academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type in een wetenschappelijke richting, of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 43 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
§ 1, lid 1:
- –
- 1° gewijzigd bij art. 50 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 8° tot 10° vervangen bij art. 41, 1° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019);
- –
- 11° ingevoegd bij art. 41, 2° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.3.7
De aanvraag om erkend te worden als sloopbeheerorganisatie wordt met een [beveiligde zending] gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.
Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens:
- 1°
- de statuten van de rechtspersoon;
- 2°
- de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;
- 3°
- het bewijs van de grondige kennis van milieu en traceerbaarheidssystemen, vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 5°;
- 4°
- een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
- 5°
- een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal afsluiten als vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 8°, en de OVAM van de afgesloten polis op de hoogte zal brengen;
- 6°
- een verklaring dat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
- 7°
- een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 44 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)) en gewijzigd bij art. 42 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.3.8
De aanvragen tot erkenning als sloopbeheerorganisatie worden behandeld volgens de volgende procedure:
- 1°
- de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
- 2°
- de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.
Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.
Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een [beveiligde zending] naar de OVAM gestuurd.
De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;
- 3°
- de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
- 4°
- de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
- 5°
- binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM met een [beveiligde zending] aan de aanvrager betekend. De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 45 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Enig lid, 2° en 5° gewijzigd bij art. 43 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.3.9
De minister kan de erkenning op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen:
- 1°
- de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij met toepassing van dit besluit is belast, niet reglementair of niet objectief uit;
- 2°
- de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.3.6;
- 3°
- de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
- 4°
- de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
- 5°
- de houder van de erkenning heeft zich niet onafhankelijk getoond ten opzichte van betrokkenen.
De minister brengt de houder van de erkenning met een [beveiligde zending] op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.
De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een [beveiligde zending] aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 46 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Leden 2 en 3 gwijzigd bij art. 44 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.3.10
De minister kan de erkenning, vermeld in artikel 4.3.6, op elk moment opheffen in de volgende gevallen:
- 1°
- als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
- 2°
- als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 4.3.9, eerste lid, 2°, geschorst is;
- 3°
- als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
- 4°
- als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
- 5°
- als de houder van de erkenning zich niet onafhankelijk heeft getoond ten opzichte van betrokkenen.
De minister brengt de houder van de erkenning met een [beveiligde zending] op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.
De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een [beveiligde zending] aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd bij art. 47 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Leden 2 en 3 gewijzigd bij art. 45 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019).
Artikel 4.3.11
Erkenningen zijn niet overdraagbaar.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 48 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Artikel 4.3.12
De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een sloopbeheerorganisatie de volgende taken overnemen:
- 1°
- de uitreiking van de conformverklaringen selectieve sloop;
- 2°
- de aflevering van de verwerkingstoelating;
- 3°
- de uitreiking van de sloopattesten.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 49 B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Afdeling 4.4 Algemene regels voor verwerking van afvalstoffen
Artikel 4.4.1
De toepassing van één van de volgende verwijderingshandelingen of de afvoer van afvalstoffen met het oog op het toepassen van één van de volgende verwijderingshandelingen, is verboden:
|
|
|
|
|
uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)
|
|
|
injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of in natuurlijk gevormde holten)
|
|
|
|
Artikel 4.4.2
Het is verboden om een afvalstof of beoogde grondstof te mengen met een of meer andere materialen om door de lagere concentratie van een of meer in de afvalstof aanwezige stoffen:
- 1°
- voor de aldus verdunde afvalstof een verwijderingsmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegelaten;
- 2°
- een afvalstof die moet worden verwijderd, alsnog nuttig te kunnen toepassen;
- 3°
- een afvalstof of beoogde grondstof die niet in aanmerking komt om te worden aangewend als of om te worden omgevormd tot een grondstof, alsnog te kunnen aanwenden als of om te vormen tot een grondstof.
Artikel 4.4.3
Het gebruik van stortkokers om huishoudelijke afvalstoffen af te voeren in appartementsgebouwen, is verboden.
Artikel 4.4.4
De volgende afvalstromen worden, na inzameling, op- of overslag of eventuele mechanische behandeling op een daartoe vergunde inrichting, gemeld aan een centraal meldpunt:
- 1°
- organisch-biologisch composteerbaar afval, dat vrijkomt:
- a)
- in natuurgebieden en kleine landschapselementen;
- b)
- bij aanleg en onderhoud van tuinen, plantsoenen, parken en vergelijkbare groenaanplantingen;
- c)
- bij onderhoud van wegbermen en waterlopen;
- 2°
- de deelfracties van bovengenoemde afvalstromen.
Het centraal meldpunt kan deze afvalstromen naar een vergunde inrichting voor de meest geschikte nuttige toepassing sturen, onverminderd artikel 4, § 3, en artikel 8, § 1, van het Materialendecreet, en rekening houdende met volgende criteria:
- –
- het vermijden van discriminatie;
- –
- effectiviteit en efficiëntie;
- –
- beschikbare verwerkingscapaciteiten;
- –
- minimale transportafstanden.
De minister stelt hiervoor nadere maatregelen vast.
Artikel 4.4.5
Aan boord van een schip of ander vervoersmiddel zijn de volgende handelingen op olie-watermengsels verboden:
- 1°
- het opwarmen met als enige doel het verkrijgen van een efficiëntere scheiding;
- 2°
- het toevoegen van chemicaliën, afvalstoffen of andere producten;
- 3°
- een opmenging met waswaters die afkomstig zijn van het spoelen van ruimen en tanks die chemicaliën hebben bevat.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 24 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018).
Artikel 4.4.6
§ 1
De OVAM kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verplichting tot vernietiging of onomkeerbare omzetting van bepaalde POP-houdende afvalstoffen als vermeld in artikel 7.2 van Verordening (EU) 2019/1021 van 20 juni 2019 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen. De houder van de afvalstof vraagt de afwijking schriftelijk aan bij de OVAM.
§ 2
De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:
- 1°
- de identificatie van de aanvrager;
- 2°
- de identificatie en hoeveelheid van de afvalstof;
- 3°
- het gehalte van POP's in het afval;
- 4°
- de motivering voor de afwijkingsaanvraag in overeenstemming met artikel 7.4.b) i) van Verordening (EU) 2019/1021 van 20 juni 2019 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen;
- 5°
- de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd.
De OVAM beslist binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag en brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van haar beslissing. De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan. De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt op de website van de OVAM.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 51 B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024).
Afdeling 4.5 Stort- en verbrandingsverboden
Artikel 4.5.1
Voor de volgende afvalstoffen zijn de verwerkingshandelingen “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwijderingshandeling “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, verboden:
- 1°
- afvalstoffen waarvoor conform artikel 4.5.2 van dit besluit een verbrandingsverbod geldt;
- 2°
- oude en vervallen geneesmiddelen;
- 3°
- andere brandbare afvalstoffen zoals wordt verstaan onder artikel 46, § 1, van het Materialendecreet.
In afwijking van het eerste lid vallen brandbare recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, § 2, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het storten ervan en recyclageresidu's van fysicochemische grondreiniging conform artikel 46, § 1, 6° tot en met 8°, niet onder het stortverbod.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 46 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019), met ingang van 1 januari 2020 (art. 89).
Voorgeschiedenis
Enig lid, 1° gewijzigd bij art. 2 B.Vl.Reg. 4 mei 2012 (BS 23 mei 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 juni 2012 (art. 8).
Artikel 4.5.2
[§ 1 ][
Onverminderd artikel 6.11.1 van titel II van het VLAREM, zijn voor de volgende afvalstoffen de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, verboden:
- 1°
- afvalstoffen die voor de recyclage ervan afzonderlijk zijn ingezameld;
- 2°
- afvalstoffen die door hun aard of hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de meest geschikte en beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of recyclage, al dan niet na voorbehandeling of verdere uitsortering;
- 3°
- huishoudelijk restafval dat niet conform artikel 4.3.1 [of artikel 5.1.4] werd ingezameld[, met uitzondering van huishoudelijk afval dat nog bioafval bevat en waarvoor door de OVAM uitstel is verleend uiterlijk tot 1 januari 2026;]
- 4°
- [bedrijfsrestafval dat niet conform afdeling 5.5 is beheerd;]
- 5°
- grofvuil dat nog niet werd gesorteerd met als doel de recycleerbare materialen te valoriseren;
- 6°
- [[gemengd bouwen sloopafval] dat niet conform onderafdeling 5.2.16 is beheerd.]
]
[§ 2
Voor gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal is verstoking en verbranding verboden.
]
[§ 3
In afwijking van paragraaf 1 vallen de volgende afvalstoffen niet onder het verbrandingsverbod:
- 1°
- onbehandeld houtafval dat in de houtverwerkende industrie wordt geproduceerd en dat door de producent in de eigen onderneming nuttig wordt toegepast als energiebron;
- 2°
- de houtige fractie afkomstig van het behandelen van plagsel en choppermateriaal;
- 3°
- recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, § 1, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het verbranden of meeverbranden ervan.
]
Wetshistoriek
§ 1 genummerd bij art. 25 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018) en vervangen bij art. 47, 1° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019), met ingang van 1 januari 2020 (art. 89).
§ 1, enig lid:
- –
- 3° gewijzigd bij art. 52, 1° en 2° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024);
- –
- 4° vervangen bij art. 52 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1));
- –
- 6° ingevoegd bij art. 52, 3° B.Vl.Reg. 22 december 2023 (BS 29 maart 2024), met ingang van 1 april 2024 (art. 159) en gewijzigd bij art. 8 B.Vl.Reg. 7 juni 2024 (BS 8 augustus 2024), met ingang van 1 juli 2024 (art. 35).
§ 2 ingevoegd bij art. 25 B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018).
§ 3 ingevoegd bij art. 47, 2° B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019), met ingang van 1 januari 2020 (art. 89).
Voorgeschiedenis
§ 1, lid 1:
- –
- 2° vervangen bij art. 50, 1° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1));
- –
- 3° ingevoegd bij art. 50, 2° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)).
Artikel 4.5.3
§ 1 [
De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 4.5.1, eerste lid, en artikel 4.5.2, § 1.
]
§ 2 [
De afwijking wordt schriftelijk aan de OVAM aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of verbrandingsinstallatie of, in geval van uitvoer van de afvalstoffen, door de afvalstoffenproducent, -makelaar of -handelaar.
De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:
- 1°
- de identificatie van de aanvrager;
- 2°
- de identificatie van de afvalstof;
- 3°
- de motivering voor de afwijkingsaanvraag;
- 4°
- de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd.
De OVAM verleent binnen 45 kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag een advies aan de minister. De minister doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag binnen negentig kalenderdagen na de indiening ervan. De beslissing van de minister wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de datum van de beslissing.
De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan.
De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.
]
[§ 3
De afwijkingsaanvraag voor artikel 4.5.2, § 2, wordt schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de verbrandingsinstallatie of de exploitant van de installatie voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal. De aanvragen worden ingediend voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin men gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal wil verstoken of verbranden.
De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:
- 1°
- de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
- 2°
- de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen, en de beschikbare verwerkingscapaciteit;
- 3°
- de vergunde en de geïnstalleerde verbrandings- of verstokingscapaciteit op het moment van de afwijkingsaanvraag.
Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, bepaalt de minister jaarlijks vóór 1 januari een contingent van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal die het volgende jaar verbrand of verstookt mogen worden, en verdeelt dat contingent onder de aanvragen die voor 1 december werden ingediend. Aanvragen die na 1 december ingediend worden, kunnen niet meer meegenomen worden in de voormelde verdeling.
De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.
]
Wetshistoriek
§§ 1 en 2 vervangen bij art. 48 B.Vl.Reg. 22 maart 2019 (BS 7 juni 2019), met ingang van 1 januari 2020 (art. 89).
§ 3 ingevoegd bij art. 26, 2° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018).
Voorgeschiedenis
§ 1 gewijzigd bij art. 3 B.Vl.Reg. 4 mei 2012 (BS 23 mei 2012 (ed. 2)), met ingang van 1 juni 2012 (art. 8).
§ 2, lid 1 gewijzigd bij art. 26, 1° B.Vl.Reg. 22 december 2017 (BS 23 februari 2018).
Afdeling 4.6 Verbod op sluikstorten en zwerfvuil
Wetshistoriek
Afdeling 4.6 (art. 4.6.1 - art. 4.6.2) ingevoegd bij art. 53 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Artikel 4.6.1
Het is verboden om te sluikstorten.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 53 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).
Artikel 4.6.2
Het is verboden om zwerfvuil te creëren.
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 53 B.Vl.Reg. 2 juli 2021 (BS 17 augustus 2021 (ed. 1)).