Meer info
     

01/06/1995 Vlarem II
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM)

Afdeling 4.1.7 Opslag van gevaarlijke stoffen

Artikel 4.1.7.1 Vaste stoffen in bulk
Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit], moeten vaste stoffen in bulk, die uitloogbare stoffen van bijlage 2B en [[gevaarlijke producten] volgens de CLP-verordening] bevatten, worden opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem. Deze bepaling is niet van toepassing op afvalstortplaatsen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 63 B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 63), bij art. 202 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798) en bij art. 9 B.Vl.Reg. 18 maart 2016 (BS 26 augustus 2016 (ed. 1)).

Artikel 4.1.7.2 Gevaarlijke vloeistoffen

§ 1

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit], moeten bovengrondse tanks [of] vaten, die vloeistoffen van bijlage 2B en [gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening] bevatten, in een inkuiping worden geplaatst, die voldoet aan de hierna vermelde voorwaarden:
de vloeren en wanden moeten bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en moeten kunnen weerstaan aan de vloeistofmassa die bij lekkage uit de grootste in de inkuiping geplaatste tank [of] vat kan ontsnappen.
buizen of leidingen mogen slechts doorheen de wanden worden geleid mits toepassing van afdoende dichtingen.
de wanden moeten tenminste alle 50 meter van reddingsladders of trappen worden voorzien.
Voor tanks en vaten met een waterinhoud van meer dan 220 liter moet bovendien:
tussen deze en de binnenste onderkant van de wanden een minimumafstand, gelijk aan de helft van de hoogte van de tanks [of] vaten, worden gelaten;
een doorgang van tenminste 1 meter breedte tussen de tanks, de vatenopslag en de wanden volledig worden vrijgelaten.

§ 2

De in § 1 bedoelde inkuiping moet een inhoudsvermogen hebben dat gelijk is aan of groter dan:
de helft van het totaal inhoudsvermogen van de erin geplaatste tanks [of] vaten;
het inhoudsvermogen van de grootste tank of vat, vermeerderd met 25 % van het totale inhoudsvermogen der andere in de kuiping aangebrachte tanks [of] vaten.
Voor de opslag van vaten en bussen met een waterinhoud van minder dan 220 liter mag het inhoudsvermogen van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale inhoudsvermogen van de erin opgeslagen vaten [of] bussen.

§ 3

In geval van herstelling van een der tanks die deel uitmaakt van een groep tanks [of] vaten opgesteld in éénzelfde inkuiping, moet deze tank gedurende de hele herstellingsperiode door een vloeistofdichte wand worden omringd, waarvan de hoogte gelijk is aan deze van de opstaande rand [of] muren die de hele groep omringt.

§ 4

In éénzelfde inkuiping mogen enkel vloeistoffen worden opgeslagen die bij vermenging hetzij geen, hetzij uitsluitend een chemische reactie kunnen doen ontstaan waarbij de vorming van [andersoortige gevaarlijke stoffen] dan deze die binnen de bak zijn opgeslagen, is uitgesloten.
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 64, 1° en 2° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 64) en bij art. 12 B.Vl.Reg. 10 februari 2017 (BS 23 februari 2017 (ed. 3)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 176).
§ 2 gewijzigd bij art. 64, 2° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 64).
§ 3 gewijzigd bij art. 64, 2° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 64).
§ 4 gewijzigd bij art. 20 B. Vl. Reg. 19 januari 1999 (B.S., 31 maart 1999 (eerste uitg.)), met ingang van 1 mei 1999 (art. 303).

Artikel 4.1.7.3 Verwijderen van gemorste verontreinigende stoffen
[Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 worden] gemorste, al dan niet verdunde, verontreinigende stoffen verwijderd overeenkomstig de van toepassing zijnde reglementering.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 71, 1° B.Vl.Reg. 7 juni 2013 (BS 10 september 2013 (ed. 1)).

Artikel 4.1.7.4
[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij art. 71, 2° B.Vl.Reg. 7 juni 2013 (BS 10 september 2013 (ed. 1)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art. 5 B. Vl. Reg. 12 december 2003 (B.S., 13 februari 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 13 februari 2004 (art. 24).