01/06/1995 Vlarem II
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM)
Subafdeling 5.2.2.5 Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld
Artikel 5.2.2.5.1 De aanvaarding van afvalstoffen
§ 1
In een inrichting voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen kunnen gevaarlijke huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit], worden verwerkt.
§ 2
[...]
§ 3
[...]
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 261 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798).
§§ 2 en 3 opgeheven bij art. 49 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306).
Artikel 5.2.2.5.2 De uitbating
§ 1 [
Voor afval van brandbare vloeistoffen gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.6 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling. Voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.17 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling.
]
§ 2
De opslag van gevaarlijke afvalstoffen dient te gebeuren in een gecompartimenteerde opslagplaats eventueel aangevuld met vaste houders of tanks voor vloeibare afvalstoffen. De afvalstoffen mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten, houders of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Verborgen leidingen en/of verbindingskanalen tussen tanks of houders zijn verboden.
§ 3 [
De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen zijn zo geconstrueerd dat accidenteel uit de recipiënten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen in een inkuiping. Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, hoeven niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert voor de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. De inkuiping kan de vloeistofmassa die bij lekkage kan vrijkomen, weerstaan. Tenzij het anders vermeld is in de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit], moet de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.
]
§ 4
Afvalstoffen met buitengewone risico's, inzonderheid samengeperste gassen en voor zelfontbranding vatbare stoffen, worden opgeslagen in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties. In de [omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit] kunnen minimumafstanden met betrekking tot de ruimtelijke scheiding worden opgelegd.
Containers, vaten, tanks en recipiënten waarin afvalstoffen worden opgeslagen die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst.
§ 5
De containers, houders, tanks en andere recipiënten:
- 1°
- dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de [bijbehorende gevarenpictogrammen];
- 2°
- zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is;
- 3°
- worden dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de afvalstoffen maximaal worden vermeden.
§ 6
In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten en beschermingsmiddelen aanwezig om bij lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.
§ 7
De exploitant beschikt over een voldoende uitgebouwde [waterzuiveringsinstallatie die het afvalwater zuivert] om in alle omstandigheden te voldoen aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.
[§ 8
[...]
]
[§ 9
[...]
]
[§ 9bis
[...]
]
[§ 10
[...]
]
Redactionele commentaar
De vervanging van § 3 bij art. 33, 2° B.Vl.Reg. 18 maart 2016 (BS 26 augustus 2016 (ed. 1)) overschrijft het woord “omgevingsvergunning”, zoals vervangen bij B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)). De wijziging is alsnog doorgevoerd op de vervangen tekst.
Wetshistoriek
§ 1 vervangen bij art. 33, 1° B.Vl.Reg. 18 maart 2016 (BS 26 augustus 2016 (ed. 1)).
§ 3 vervangen bij art. 33, 2° B.Vl.Reg. 18 maart 2016 (BS 26 augustus 2016 (ed. 1)).
§ 4 gewijzigd bij art. 262 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798).
§ 5 gewijzigd bij art. 99, 2° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 99).
§ 7 gewijzigd bij art. 60 B. Vl. Reg. 19 januari 1999 (B.S., 31 maart 1999 (eerste uitg.)), met ingang van 1 mei 1999 (art. 303).
§ 8 ingevoegd bij art. 10.1.6 B. Vl. Reg. 5 december 2003 (B.S., 30 april 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 10.4.1) en opgeheven bij art. 50 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306).
§ 9 ingevoegd bij art. 10.1.6 B. Vl. Reg. 5 december 2003 (B.S., 30 april 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 10.4.1) en opgeheven bij art. 50 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306).
§ 9bis ingevoegd bij art. 3, 3° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)) en opgeheven bij art. 50 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306).
§ 10 ingevoegd bij art. 92 B.Vl.Reg. 13 februari 2009 (BS 1 april 2009 (ed. 1)), met ingang van 1 mei 2009 (art. 100) en opgeheven bij art. 50 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306).
Voorgeschiedenis
§ 1 vervangen bij art. 99, 1° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)), met ingang van 1 juni 2015 (art. 99).
§ 3 gewijzigd bij art. 262 B.Vl.Reg. 27 november 2015 (BS 23 februari 2016 (ed. 1)), met ingang van 23 februari 2017 (art. 798), nooit in werking getreden.
§ 8 vervangen bij art. 53 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 8 oktober 2004), met ingang van 13 augustus 2005 (art. 54).
§ 8, enig lid:
- –
- inleidende bepaling vervangen bij art. 2, 1° B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016);
- –
- 2° vervangen bij art. 3, 1° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1));
- –
- 2°, a) gewijzigd bij art. 2, 2° B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016);
- –
- 2°, b) vervangen bij art. 2, 3° B.Vl.Reg. 23 september 2016 (BS 6 december 2016).
§ 9 vervangen bij art. 3, 2° B.Vl.Reg. 23 mei 2014 (BS 12 september 2014 (ed. 1)) en gewijzigd bij art. 2 en art. 33, 3° B.Vl.Reg. 18 maart 2016 (BS 26 augustus 2016 (ed. 1)).
§ 10 vervangen bij art. 99, 3° B.Vl.Reg. 16 mei 2014 (BS 24 september 2014 (ed. 1)).
Artikel 5.2.2.5.3
§ 1
De exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften.
De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de [toezichthouder].
§ 2
De gevaarlijke afvalstoffen worden bij aanvoer door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde opgeslagen en behandeld op een wijze dat risico's maximaal worden vermeden
§ 3
De gevaarlijke afvalstoffen worden onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen.
§ 4
De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.
§ 5
Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met gevaarlijk afval lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipiënt en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd.
§ 6
De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag worden regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd. De bekomen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwerkt.
§ 7
Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal worden opgeslagen en behandeld volgens de aard van de stoffen waarmee ze verontreinigd zijn. Niet herbruikbare recipiënten krijgen een aangepaste verwerkingswijze.
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 37 B.Vl.Reg. 7 juni 2013 (BS 10 september 2013 (ed. 1)).