Meer info
     

01/06/1995 Vlarem II
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM)

Hoofdstuk 6.13 Niet-ingedeelde elektrische apparaten en niet-ingedeelde inrichtingen voor de opslag van elektriciteit

Wetshistoriek
Hoofdstuk 6.13 (art. 6.13.1 - art. 6.13.4) ingevoegd bij art. 186 B.Vl.Reg. 3 mei 2019 (BS 26 september 2019), met ingang van 1 oktober 2019 (art. 306) en vervangen door hoofdstuk 6.13 (art. 6.13.1.1 - art. 6.13.2.6) bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van een 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Afdeling 6.13.1 Gemeenschappelijke bepalingen

Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).
Artikel 6.13.1.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende inrichtingen:
1°
verplaatsbare transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA of meer die opgesteld zijn op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken;
2°
andere transformatoren dan de transformatoren, vermeld in punt 1°, met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1000 kVA;
3°
vast opgestelde batterijen waarvan het product van de capaciteit, uitgedrukt in Ah, met de klemspanning, uitgedrukt in V, meer bedraagt dan 10.000;
4°
vaste inrichtingen (laadpalen en dergelijke) met een geďnstalleerd totaal vermogen van meer dan 10 kW voor het laden van batterijen, al dan niet als onderdeel van een voertuig;
5°
vast opgestelde motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die minder dan 100 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn en die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.1.2
De elektrische installaties en toestellen in de inrichting beantwoorden aan de bepalingen van de codex over het welzijn op het werk en van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.1.3
De inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, zijn uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.1.4
De inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, voldoen aan de bepalingen van afdeling 4.5.5.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.1.5
Installaties die (technologische) warmte produceren in lokalen waar producten, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 conform de CLP-verordening, worden opgeslagen, mogen niet in direct contact staan met de opgeslagen producten en ook geen hogere oppervlaktetemperatuur dan 100 °C bezitten.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Afdeling 6.13.2 Transformatoren, vast opgestelde batterijen en vaste inrichtingen voor het laden van batterijen

Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).
Artikel 6.13.2.1
Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in artikel 6.13.1.1, 1°, 2°, 3° en 4°.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.2.2

§ 1

Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, beantwoorden de transformatoren aan al de volgende voorwaarden:
1°
transformatoren die pcb's of pct's bevatten, zoals askareltransformatoren, zijn verboden;
2°
de transformatoren zijn beschermd tegen het binnendringen van regenwater of grondwater;
3°
de bouwelementen van het lokaal waarin de transformator is geplaatst, voldoen aan al de volgende eisen:
a)
de wanden hebben een brandwerendheid van EI 60, behalve de scheidingswanden die aan de buitenlucht grenzen, de vloeren en de plafonds of daken;
b)
de binnendeuren en vensters hebben een brandwerendheid van EI1 30 en zijn voorzien van een automatisch sluitingsmechanisme, waarbij ze niet geblokkeerd mogen worden in open stand;
4°
de nodige maatregelen zijn getroffen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. Daarvoor wordt onder de transformator in een vloeistofdichte inkuiping voorzien die bij een lekkage de diëlektrische vloeistof opvangt. Bij een bestaande transformator wordt die inkuiping aangebracht bij een eerste vernieuwing, wijziging, vervanging of verplaatsing van de transformator.
De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet van toepassing op transformatoren die in de openlucht of in gesloten metalen kasten opgesteld zijn.

§ 2

De voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op pcb- of pct-bevattende transformatoren die conform artikel 5.2.8.5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) verder mogen worden gebruikt. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, worden voor de voormelde transformatoren die pcb's of pct's bevatten, de volgende voorwaarden nageleefd:
1°
de transformatoren worden uitsluitend opgesteld in de openlucht of in een brandvrij lokaal dat daarvoor bestemd is. In dat lokaal worden geen transformatoren opgesteld die geen pcb's of pct's bevatten, tenzij in een brandweerstandbiedende scheiding tussen de verschillende transformatoren met een brandwerendheid EI1 30 is voorzien. Op de buitenwand van de toegangsdeur(en) tot het voormelde lokaal en in dat lokaal zelf wordt met letters van ten minste acht centimeter hoogte duidelijk leesbaar de volgende tekst aangebracht: “Opgelet: pcb-houdende transfo”. De voormelde tekst mag worden vervangen door de reglementaire pictogrammen, die ter zake gelden. Het voormelde lokaal wordt verlucht via een verluchtingsrooster met een brandwerendheid van EI60. In de gesloten elektriciteitslokalen mogen alternatieve maatregelen worden getroffen op voorwaarde dat die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden;
2°
de transformatoren worden regelmatig op lekken gecontroleerd. Eventuele lekken worden onmiddellijk gedicht. De toezichthouder wordt op de hoogte gebracht van elk vastgesteld lek en van de getroffen maatregelen;
3°
alle materialen die met pcb's of pct's verontreinigd zijn, met inbegrip van poetsdoeken, werkkledij en dergelijke, worden afgevoerd naar een inrichting voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
4°
het aflaten van olie met pcb's en pct's of het wegnemen van de buitenplaten, de zogenaamde ontkuiping, wordt uitsluitend uitgevoerd door een firma die daarvoor vergund is. Door mogelijke residuele pcb's of pct's mag het hervullen niet gebeuren met gewone (brandbare) olie, maar wel met bijvoorbeeld siliconenolie;
5°
met behoud van de toepassing van het voormelde besluit van 17 februari 2012 met betrekking tot pcb's gelden voor de bestaande transformatoren die pcb's bevatten, de volgende voorwaarden:
a)
het bijvullen van transformatoren met pcb's is verboden;
b)
het onderhoud van transformatoren die pcb's bevatten, mag, totdat ze conform het voormelde besluit van 17 februari 2012 met betrekking tot pcb's gereinigd worden, buiten gebruik worden gesteld of verwijderd worden, uitsluitend worden voortgezet als het doel ervan is ervoor te zorgen dat de pcb's die de apparaten bevatten, voldoen aan de technische normen of specificaties inzake diëlektrische kwaliteit, op voorwaarde dat de transformatoren in goede staat zijn en geen lekken vertonen.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.2.3
De vast opgestelde batterijen die geen droge batterijen zijn, zijn ondergebracht in een lokaal dat uitsluitend daarvoor bestemd is, of in een ruimte of kast die uitsluitend daarvoor bestemd is. Het daarvoor bestemde lokaal is gebouwd met bouwmaterialen brandklasse A1 voor de verticale wanden en het plafond en met bouwmaterialen brandklasse A1FL voor de vloer, met een brandwerendheid EI1 30. De deuren tussen het lokaal en de rest van de gebouwen hebben dezelfde brandwerendheid en zijn voorzien van een automatische sluiting.
De vloer van het lokaal, vermeld in het eerste lid, bestaat uit ondoordringbare materialen die inert zijn voor elektrolyten. Hij wordt zo aangelegd dat elke verontreiniging van het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem wordt voorkomen.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.2.4
De lokalen waarin de vast opgestelde batterijen en de vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn ondergebracht, worden bestendig en doeltreffend verlucht conform NBN EN 62485-3.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.2.5
De lokalen waarin de vast opgestelde transformatoren, de vast opgestelde batterijen die geen droge batterijen zijn, en de vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn ondergebracht, worden alleen verwarmd door toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen.
In de lokalen, vermeld in het eerste lid, zijn draagbare en mobiele blustoestellen aanwezig naar rato van minimaal 1 bluseenheid per 150 m2, met minstens 2 bluseenheden per constructieniveau. Ten minste de helft van de mobiele blustoestellen heeft een capaciteit van 1 of 1,5 bluseenheid.
Het tweede lid is niet van toepassing op transformatoren in afgesloten elektriciteitscabines die voldoen aan de technische voorschriften voor de aansluiting van een elektriciteitscabine, vermeld in de voorschriften van C2/112 van Synergrid. Een staving met een keuring van een erkend controleorganisme, of met een keuring of document van de distributienetbeheerder waarin beschreven is dat aan de voorschriften van C2/112 voldaan wordt, wordt altijd ter beschikking van de toezichthouder gehouden.
In de lokalen, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende verplichtingen:
1°
met behoud van de toepassing van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en de codex over het welzijn op het werk mogen werkzaamheden met gereedschappen die vonken, gensters, een blanke vlam of een hittepunt met een temperatuur van boven de 400 °C opwekken, alleen uitgevoerd worden met een vuurvergunning. Een vuurvergunning is een voorafgaandelijk geschreven machtiging die de werkgever of zijn aangestelde verleent, waarin alle afspraken en voorwaarden opgenomen zijn om een bepaald werk veilig uit te voeren;
2°
het is verboden te roken. Dat rookverbod wordt in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en in de lokalen aangeplakt;
3°
de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en nevels zijn opgetrokken uit materialen die ingedeeld zijn in brandklasse A1.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).

Artikel 6.13.2.6

§ 1

Vaste inrichtingen voor het laden van batterijen zijn minstens 2,5 meter verwijderd van bouwmaterialen die niet voldoen aan de brandklasse A1 of van brandbare goederen, of zijn ondergebracht in een afzonderlijk lokaal, zoals vereist voor vast opgestelde batterijen conform artikel 6.13.2.3.

§ 2

Tussen de bovengrondse opslag van gevaarlijke producten die worden gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 conform de CLP-verordening, en brandbare vloeistoffen enerzijds, en de plaats om het voertuig te stationeren tijdens het laden door een inrichting met een geďnstalleerd vermogen van meer dan 10 kW anderzijds, wordt een scheidingsafstand van vijf meter gerespecteerd.
Tussen een bovengrondse opslagplaats van een gas van groep 1 in verplaatsbare recipiënten met opslagcapaciteit van meer dan 5000 liter of in een vast ongekoeld gasreservoir met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 liter enerzijds en de plaats om het voertuig te stationeren tijdens het laden door een inrichting met een geďnstalleerd vermogen van meer dan 10 kW anderzijds, wordt een scheidingsafstand van 7,5 meter gerespecteerd.
Wetshistoriek
Vervangen bij art. 45 B.Vl.Reg. 24 juni 2022 (BS 16 november 2022 (ed. 1)), met ingang van 12 december 2022 (art. 4, 1° MB Vl.Reg. 25 november 2022 (BS 6 december 2022)).