Meer info
     

27/12/2004 Programmawet
Programmawet van 27 december 2004

Hoofdstuk XVIII De belasting van energieproducten en elektriciteit

Afdeling I Voorafgaande bepalingen

Artikel 414

§ 1

In de zin van dit hoofdstuk moet onder accijnzen worden verstaan:
de accijns;
de bijzondere accijns;
de controleretributie op huisbrandolie;
de bijdrage op de energie.

§ 2

De in dit hoofdstuk vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur zijn verwijzingen naar [de Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 tot wijziging van bijlage I bij] Verordening (EEG) nr 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.
Wetshistoriek
§ 2 gewijzigd bij art. 69 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).

Afdeling II Toepassingsgebied

Artikel 415

§ 1

Dit hoofdstuk is van toepassing op elektriciteit van de GN-code 2716 en op de “energieproducten” hierna bepaald:
a)
producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
b)
producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704 tot en met 2715;
c)
producten van de GN-codes 2901 en 2902;
d)
producten van de GN-code 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong zijn, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
e)
producten van de GN-code 3403;
f)
producten van de GN-code 3811;
g)
producten van de GN-code 3817;
h)
[producten van de GN-codes 3824 99 86, 3824 99 92 (met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten, en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten), 3824 99 93, 3824 99 96 (met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten, en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten), 3826 00 10 en 3826 00 90, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt.]
[Worden beschouwd als “bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt”, de producten waarvan de producent of de bestemmeling kan vermoeden dat ze, behoudens tegenbewijs, voor dergelijk gebruik worden aangewend.]

§ 2

De outputbelasting op warmte en de belasting op producten van de GN-codes 4401 en 4402 vallen niet onder het toepassingsgebied van deze programmawet.
Wetshistoriek
§ 1, lid 1, h) vervangen bij art. 70 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
§ 1, lid 2 vervangen bij art. 3 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).

Artikel 416
De energieproducten waarvoor in artikel 419 geen tarief inzake accijnzen is vastgesteld en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof, worden belast tegen het tarief van de gelijkwaardige motor- of verwarmingsbrandstof, naargelang van het gebruik dat ervan gemaakt wordt.

Artikel 417
Naast de in artikel 415 genoemde belastbare producten wordt tegen het tarief inzake accijnzen van de gelijkwaardige motorbrandstof belast, elk product dat is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als motorbrandstof, als additief of als vulstof in motorbrandstoffen.
Naast de in artikel 415 genoemde belastbare producten wordt tegen het tarief inzake accijnzen van het gelijkwaardige energieproduct belast elke andere koolwaterstof, turf uitgezonderd, die bestemd is voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als verwarmingsbrandstof.

Artikel 418

§ 1

De bepalingen inzake controle en verkeer [van hoofdstuk 3. – Productie, verwerking en voorhanden hebben, van hoofdstuk 4. – Overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijnzen en van hoofdstuk 5. – Overbrenging van accijnsgoederen en accijnsheffing na uitslag tot verbruik van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen] zijn uitsluitend van toepassing op de volgende energieproducten:
a)
producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
b)
producten van de GN-codes 2707 10, 2707 20, 2707 30 en 2707 50;
c)
[producten van de GN-codes 2710 12 tot en met 2710 19 68, 2710 20 tot en met 2710 20 39 en 2710 20 90 (alleen voor producten waarvan minder dan 90 % van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 210 °C en 65 % of meer van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 250 °C (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)). Voor producten van de GN-codes 2710 12 21, 2710 12 25, 2710 19 29 en 2710 20 90 (alleen voor producten waarvan minder dan 90 % van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 210 °C en 65 % of meer van het volume (distillatieverliezen inbegrepen) overdistilleert bij 250 °C (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)) zijn de bepalingen inzake controles en verkeer echter uitsluitend van toepassing op commercieel bulkverkeer;]
d)
producten van de GN-code 2711 (met uitzondering van 2711 11, 2711 21 en 2711 29);
e)
producten van de GN-code 2901 10;
f)
producten van de GN-codes 2902 20, 2902 30, 2902 41, 2902 42, 2902 43 en 2902 44;
g)
producten van de GN-code 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong zijn, indien deze zijn bestemd voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof;
h)
[producten van de GN-codes 3811 11 10, 3811 11 90, 3811 19 00 en 3811 90 00;]
i)
[[producten van de GN-codes 3824 99 86, 3824 99 92 (met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten, en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten), 3824 99 93, 3824 99 96 (met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten, en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten), 3826 00 10 en 3826 00 90, indien deze zijn bestemd voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof.]]
[Worden beschouwd als “bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt”, de producten waarvan de producent of de bestemmeling kan vermoeden dat ze, behoudens tegenbewijs, voor dergelijk gebruik worden aangewend.]
[Voor de toepassing van lid 1, c), wordt onder “commercieel bulkvervoer” verstaan het vervoer van onverpakte goederen in containers die een integraal deel uitmaken van het vervoermiddel (wegtankwagens, tankwagons, tankschepen, of daarmee gelijkgestelde vervoermiddelen) of in ISO-tanks. Hiermee wordt gelijkgesteld het vervoer van onverpakte goederen in andere containers met een inhoudsvermogen van meer dan 210 liter.]

§ 2

Indien de Minister van Financiën kennis krijgt van het feit dat andere dan de in § 1 bedoelde energieproducten zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als verwarmings- of motorbrandstof, dan wel anderszins aanleiding geven tot fraude, ontwijking of misbruik (deze bepaling geldt ook voor elektriciteit), stelt hij de Commissie van de Europese Unie daarvan onverwijld in kennis. De lijst van de in § 1 bedoelde producten kan worden aangevuld overeenkomstig de bepalingen van de communautaire reglementering.

§ 3

De Koning of de door Hem gedelegeerde minister kan bij bilaterale overeenkomst met een lidstaat alle of bepaalde bovenstaande producten geheel of gedeeltelijk van de controlemaatregelen, voorzien door [de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen], vrijstellen voor zover zij niet onder artikel 419 vallen. Deze overeenkomsten zijn enkel geldig voor de lidstaten die er partij bij zijn.
Wetshistoriek
§ 1, lid 1:
inleidende bepaling gewijzigd bij art. 98, 1° Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2));
c) vervangen bij art. 71, 1° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
h) vervangen bij art. 93, 1° Wet 17 juni 2013 (BS 28 juni 2013 (ed. 1));
i) ingevoegd bij art. 93, 2° Wet 17 juni 2013 (BS 28 juni 2013 (ed. 1)) en vervangen bij art. 71, 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
§ 1, lid 2 vervangen bij art. 4, 2° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
§ 1, lid 3 ingevoegd art. 4, 3° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
§ 3 gewijzigd bij art. 98, 2° Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).
Voorgeschiedenis
§ 1, inleidende bepaling gewijzigd bij art. 4, 1°W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).

Afdeling III Vaststelling van het bedrag van de accijnzen

Artikel 419
a)
[gelode benzine van de GN-codes [2710 12 31, 2710 12 51 en 2710 12 59]:
accijns: 245,4146 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 393,7887 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 28,6317 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
]
b)
[ongelode benzine van de GN-code [2710 12 49]:
i)
met een hoog zwavelgehalte en/of aromatische verbindingen:
accijns: 245,4146 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 197,1939 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 28,6317 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
ii)
met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen:
accijns: 245,4146 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 181,4842 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 28,6317 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
]
c)
[ongelode benzine van de GN-codes [2710 12 41 en 2710 12 45]:
accijns: 245,4146 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 181,4842 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 28,6317 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
]
d)
[kerosine van de GN-code 2710 19 21 en 2710 19 25:
i)
gebruikt als motorbrandstof:
accijns: 294,9933 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 308,9057 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 28,6317 euro per 1 000 liter bij 15°C;
ii)
gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden:
accijns: 18,5920 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 4,2925 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
iii)
gebruikt als verwarmingsbrandstof:
*
zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 19,5580 euro per 1 000 liter bij 15°C;
*
niet-zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 19,5580 euro per 1 000 liter bij 15°C;
]
e)
[gasolie van de GN-codes [2710 19 46, 2710 19 47, 2710 19 48, 2710 20 16 en 2710 20 19] met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg:
i)
[gebruikt als motorbrandstof:
accijns: 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 258,0517 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
]
ii)
[gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden:
accijns: 18,5920 euro per 1000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 4,2925 euro per 1000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1000 liter bij 15 °C;
]
iii)
[gebruikt als verwarmingsbrandstof:
*
zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
controleretributie: 10 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 8,6521 euro per 1 000 liter bij 15°C;
*
niet-zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
controleretributie: 10 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 8,6521 euro per 1 000 liter bij 15°C;
]
f)
[gasolie van de [GN-codes 2710 19 43 en 2710 20 11] met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg:
i)
[gebruikt als motorbrandstof:
accijns: 198,3148 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 242,3421 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 14,8736 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
]
ii)
[gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden:
accijns: 18,5920 euro per 1000 liter bij 15 °C;
bijzondere accijns: 4,2925 euro per 1000 liter bij 15 °C;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1000 liter bij 15 °C;
]
iii)
[gebruikt als verwarmingsbrandstof:
*
zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
controleretributie: 10 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 7,2564 euro per 1 000 liter bij 15°C;
*
niet-zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 liter bij 15°C;
controleretributie: 10 euro per 1 000 liter bij 15°C;
bijdrage op de energie: 7,2564 euro per 1 000 liter bij 15°C;
]
g)
[zware stookolie van de GN-codes [2710 19 62 tot en met 2710 19 68 en 2710 20 31 tot en met 2710 20 39]:
*
zakelijk gebruik (met uitzondering van het gebruik voor de productie van elektriciteit):
accijns: 13 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 3,3460 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 kg;
*
niet-zakelijk gebruik
accijns: 13 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 3,3460 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 kg;
*
gebruik voor de productie van elektriciteit:
accijns: 13 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 3,3460 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 kg;
]
h)
[vloeibaar petroleumgas van de GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00:
i)
gebruikt als motorbrandstof:
accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 kg;
ii)
gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden:
accijns: 37,1840 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 7,4953 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 0 euro per 1 000 kg;
iii)
gebruikt als verwarmingsbrandstof:
*
zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie:
voor butaan van de GN-code 2711 13: 18,6397 euro per 1 000 kg;
voor propaan van de GN-code 2711 12: 18,9097 euro per 1 000 kg:
*
niet-zakelijk gebruik:
accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie:
voor butaan van de GN-code 2711 13: 18,6397 euro per 1 000 kg;
voor propaan van de GN-code 2711 12: 18,9097 euro per 1 000 kg;
]
i)
[aardgas van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00:
i)
gebruikt als motorbrandstof:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii)
gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii)
[gebruikt als verwarmingsbrandstof:
De accijnzen worden berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis.
1.
[zakelijk gebruik:
a.
bedrijven met een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Vlaams Gewest, een “accord de branche” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest, of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
i.
voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii.
voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandings waarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii.
voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv.
voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v.
voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi.
voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
b.
andere bedrijven:
i.
voor de schijf van 0 tot 20.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii.
voor de schijf van 20.000 tot 50.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iii.
voor de schijf van 50.000 tot 250.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
iv.
voor de schijf van 250.000 tot 1.000.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,42 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
v.
voor de schijf van 1.000.000 tot 2.500.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,22 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
vi.
voor de schijf vanaf 2.500.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 0,15 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,54 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met [31 maart 2023].
Op [1 april 2023] worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.
]
2.
[niet-zakelijk gebruik:
a
beschermde residentiële afnemer, in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 2,77 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
b
andere:
i.
voor de schijf van 0 tot 12 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 8,23 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
ii.
voor de schijf vanaf 12 MWh:
accijns: 0 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijzondere accijns: 8,23 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde);
bijdrage op de energie: 0,9978 euro per MWh (bovenste verbrandingswaarde).
]
]
]
j)
[kolen, cokes en bruinkool van de GN-codes 2701, 2702 en 2704:
accijns: 0 euro per 1 000 kg;
bijzondere accijns: 8,7577 euro per 1 000 kg;
bijdrage op de energie: 3 euro per 1 000 kg;
]
k)
[elektriciteit van de GN-code 2716:
De accijnzen worden berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis.
1.
]Zakelijk gebruik:
a.
geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning meer is dan 1 kV, met inbegrip van een eindgebruiker die geďdentificeerd wordt als een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer:
i.
voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
ii.
voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iii.
voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
iv.
voor de schijf van 1.000 tot 25.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
v.
voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
vi.
voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
b.
geleverd aan een eindgebruiker aangesloten op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning gelijk is aan of minder is dan 1 kV:
i.
voor de schijf van 0 tot 20 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
ii.
voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iii.
voor de schijf van 50 tot 1.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iv.
voor de schijf van 1.000 MWh tot 25.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 10,69 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
v.
voor de schijf van 25.000 tot 100.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 2,73 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
vi.
voor de schijf vanaf 100.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 0,50 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
De tarieven opgenomen onder punten a) en b) zijn van toepassing in de periode van 1 november 2022 tot en met [31 maart 2023].
Op [1 april 2023] worden de tarieven opgenomen onder punten a) en b) opnieuw vastgesteld zoals deze van toepassing zijn op 31 oktober 2022.
]
2.
[niet-zakelijk gebruik:
a
beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 20, § 2/1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 23,62 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 0 euro per MWh;
b
andere:
i.
voor de schijf van 0 tot 3 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 47,48 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
ii.
voor de schijf van 3 tot 20 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 47,48 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iii.
voor de schijf van 20 tot 50 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 45,46 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
iv.
voor de schijf van 50 tot 1000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 44,78 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
v.
voor de schijf van 1000 tot 25.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 44,11 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh;
vi.
voor de schijf vanaf 25.000 MWh:
accijns: 0 euro per MWh;
bijzondere accijns: 36,28 euro per MWh;
bijdrage op de energie: 1,9261 euro per MWh.
]
]
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 95 Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98).
Enig lid:
a) vervangen bij art. 142, 1° Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146) en gewijzigd bij art. 72, 1° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
b) vervangen bij art. 64, 1° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68) en gewijzigd bij art. 72, 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
c) vervangen bij art. 64, 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68) en gewijzigd bij art. 72, 3° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
d) vervangen bij art. 125 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
e) gewijzigd bij art. 72, 4° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
e), i) vervangen bij art. 64, 3° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68);
e), ii) vervangen bij art. 126 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
e), iii) vervangen bij art. 126 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
f) gewijzigd bij art. 72, 5° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
f), i) vervangen bij art. 64, 4° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68);
f), ii) vervangen bij art. 127 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
f), iii) vervangen bij art. 127 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
g) vervangen bij art. 128 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133) en gewijzigd bij art. 72, 6° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
h) vervangen bij art. 129 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
i) vervangen bij art. 130 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
i), iii) vervangen bij art. 38 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44), gewijzigd bij art. 125 Wet 26 december 2022 (BS 30 december 2022 (ed. 1)), met ingang van 19 oktober 2022 (art. 128), bij art. 129, 1° en 2° Wet 26 december 2022 (BS 30 december 2022 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2023 (art. 131) en bij art. 5 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16);
j) vervangen bij art. 131 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
k) vervangen bij art. 39 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44), gewijzigd bij art. 126 Wet 26 december 2022 (BS 30 december 2022 (ed. 1)), met ingang van 19 oktober 2022 (art. 128), bij art. 130, 1° en 2° Wet 26 december 2022 (BS 30 december 2022 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2023 (art. 131) en bij art. 9 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
Overgangsbepaling(en)
Overgangsbepalingen :art. 12 tot art. 15 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen bij art. 149 W. 27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en bij art. 68 Wet 30 juli 2013 (BS 1 augustus 2013 (ed. 2)), met ingang van 1 augustus 2013 (art. 69) en bij art. 5 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.), err., B.S., 16 juli 2008).
Enig lid:
a) vervangen bij art. 2, 1° W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2, § 2), zelf gewijzigd bij art. 1, 1° K.B. 14 september 2007 (B.S., 26 september 2007), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2) en vervangen bij art. 2, 1° W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8), bij art. 344, 1° Wet 12 mei 2014 (BS 20 juni 2014 (ed. 4)), nooit in werking getreden en bij art. 122 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133);
b) vervangen bij art. 30, 1° W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden, bij art. 2, 1° W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2, § 2), zelf gewijzigd bij art. 1, 2° K.B. 14 september 2007 (B.S., 26 september 2007), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2), bij art. 161, 1° Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)), bij art. 344, 1° Wet 12 mei 2014 (BS 20 juni 2014 (ed. 4)), nooit in werking getreden, bij art. 123 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133) en bij art. 142, 2° Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146);
c) vervangen bij art. 30, 1° W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden, bij art. 2, 1° W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2, § 2), bij art. 161, 1° Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)), bij art. 344, 1° Wet 12 mei 2014 (BS 20 juni 2014 (ed. 4)), nooit in werking getreden, bij art. 124 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133) en bij art. 142, 3° Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146);
e) vervangen bij art. 2, 3° W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8), zelf gewijzigd bij art. 1, 1° K.B. 29 november 2007 (B.S., 5 december 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 december 2007 (art 2);
e), i) vervangen bij art. 30, 2° W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden, bij art. 2, 2° W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), met ingang van 1 november 2006 (art. 2, § 2), gewijzigd bij art. 2, 1° K.B. 14 september 2007 (B.S., 26 september 2007), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 3), bij art. 161, 2° Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)), bij art. 44, 1° Wet 29 december 2010 (BS 31 december 2010 (ed. 3)), bij art. 94, 1° Wet 17 juni 2013 (BS 28 juni 2013 (ed. 1)), voorlopig vervangen bij art. 344, 2° Wet 12 mei 2014 (BS 20 juni 2014 (ed. 4)), nooit in werking getreden, voorlopig vervangen bij art. 1 KB 26 oktober 2015 (BS 30 oktober 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 november 2015 (art. 5), bij art. 2 Wet 27 juni 2016 (BS 30 juni 2016), met ingang van 1 november 2015 (art. 12), bij art. 111, 1° Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120) en bij art. 142, 4° Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146);
f) vervangen bij art. 2, 4° W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8), zelf gewijzigd bij art. 1, 2° K.B. 29 november 2007 (B.S., 5 december 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 december 2007 (art 2);
f), i) vervangen bij art. 30, 3° W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden, bij art. 2, 3° W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), met ingang van 1 november 2006 (art. 2, § 2), gewijzigd bij art. 2, 2° K.B. 14 september 2007 (B.S., 26 september 2007), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 3), bij art. 161, 3° Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)), bij art. 44, 2° Wet 29 december 2010 (BS 31 december 2010 (ed. 3)), voorlopig vervangen bij art. 94, 2° Wet 17 juni 2013 (BS 28 juni 2013 (ed. 1)), bij art. 344, 3° Wet 12 mei 2014 (BS 20 juni 2014 (ed. 4)), nooit in werking getreden en voorlopig vervangen bij art. 2 KB 26 oktober 2015 (BS 30 oktober 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 november 2015 (art. 5), bij art. 3 Wet 27 juni 2016 (BS 30 juni 2016), met ingang van 1 november 2015 (art. 12), bij art. 111, 2° Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120) en bij art. 142, 5° Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146);
g) vervangen bij art. 2, a) W. 7 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 29 december 2006 (art. 4);
i), iii) gewijzigd bij art. 19 Wet 21 december 2009 (BS 31 december 2009 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2010 (art. 20) en vervangen bij art. 2 Wet 14 december 2015 (BS 23 december 2015 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 5);
j) vervangen bij art. 2 W. 20 juli 2005 (B.S., 28 juli 2005), met ingang van 1 augustus 2005 (art. 4) en bij art. 2, b) W. 7 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 29 december 2006 (art. 4);
k) vervangen bij art. 132 Wet 26 december 2015 (BS 30 december 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 133).
Gewijzigd bij art. 2, 1° tot 3° Wet 24 december 2012 (BS 28 december 2012 (ed. 4)), in werking op de eerste dag van de maand volgend op de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van een bericht dat de goedkeuring door de Europese Commissie aankondigt van de aanvraag "staatssteun", op 14 november 2012 ingediend door de Belgische regering, in zover dat op voornoemde datum van inwerkingtreding de NBN-EN-norm 228 die toelaat om 10 % bio-ethanol bij benzine toe te voegen, in werking is getreden (art. 4), nooit in werking getreden.
Gewijzigd bij art. 2, 4° en 5° Wet 24 december 2012 (BS 28 december 2012 (ed. 4)), in werking op de eerste dag van de maand volgend op de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van een bericht dat de goedkeuring door de Europese Commissie aankondigt van de aanvraag "staatssteun", ingediend door de Belgische regering op 14 november 2012 (art. 4), nooit in werking getreden.
Aanpassing van bedragen/percentages
Tarieven van toepassing:
vanaf 1 januari 2017 (Ber. (BS 27 december 2016));
vanaf 1 januari 2018 (Ber. (BS 11 januari 2018)).

Artikel 419bis
[...]
Wetshistoriek
Ingevoegd bij art. 31 W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), met ingang van 1 oktober 2007 (art. 2, K.B. 14 september 2007 (B.S., 26 september 2007)), zelf opgeheven bij art. 10 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 73 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).

Artikel 420

§ 1

[In de zin van artikel 419, b), moet onder “ongelode benzine met een hoog zwavelgehalte en/of aromatische verbindingen” worden verstaan, de benzine die de volgende grenswaarden overschrijdt:
Grenswaarden (1)
Test
Parameter
Eenheid
Minimum
Maximum
Methode
Datum publicatie
Koowaterstoffenanalyse
 
 
 
 
 
Aromatische verbindingen (2) (3) (4)
% v/v
35,0
ASTM D1319
1995
pr EN 14517
2002
Zwavelgehalte (5)
mg/kg
10
EN ISO 20846
(6)
EN ISO 20884
(6)
(1)
De hier gegeven cijfers zijn “werkelijke” waarden. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO-norm 4259 (Aardolieproducten - bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in de relatie tot de testmethoden) en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimaal verschil van 2R boven nul rekening gehouden (R= reproduceerbaarheid). De uitkomsten van de verschillende metingen worden geďnterpreteerd aan de hand van de in ISO-norm 4259 (gepubliceerd in 1995) beschreven criteria.
(2)
Het gehalte aan zuurstofhoudende verbindingen wordt bepaald met het oog op de correcties overeenkomstig punt 13.2 van ASTM-methode D 1319 : 1995.
(3)
Indien ethyl-tertiair-butylether (ETBE) in het monster voorkomt, wordt de aromatische zone bepaald vanaf de roze-bruine ring stroomafwaarts van de rode ring die normaliter wordt gebruikt indien geen ETBE aanwezig is. De aanwezigheid of afwezigheid van ETBE kan uit de in voetnoot 2 beschreven analyse worden afgeleid.
(4)
Ten behoeve daarvan wordt ASTM-methode D 1319 : 1995 toegepast zonder de facultatieve depentanisatiestap. De punten 6.1, 10.1 en 14.1 worden bijgevolg niet toegepast.
(5)
Deze beproevingsmethoden bevatten betrouwbaarheidscriteria. In geval van betwisting moeten de werkwijzen beschreven in EN ISO 4259 : 1995 toegepast worden om de betwisting op te lossen en de proefresultaten te interpreteren op basis van de betrouwbaarheidsgegevens van de beproevingsmethoden.
(6)
Voor niet-gedateerde verwijzingen is de laatste uitgave van de publicatie waarnaar verwezen wordt van toepassing (inbegrepen amenderingen).
In de zin van artikel 419, b) moet onder “ongelode benzine met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen” worden verstaan, de benzine die de grenswaarden van voorgaande tabel niet overschrijdt.]

§ 2

[a)
Voor de toepassing van artikel 419, e), wordt onder “gasolie van de [GN-codes 2710 19 46 en 2710 20 16] met een zwavelgehalte van meer dan 10 mg/kg” verstaan, de gasolie waarvan het zwavelgehalte de grenswaarde bepaald in de volgende tabel overschrijdt:
Grenswaarden (1)
Test
Parameter
Eenheid
Minimum
Maximum
Methode
Datum publicatie
Zwavelgehalte (2)
mg/kg
10
EN ISO 20846
(3)
EN ISO 20884
(3)
(1)
De hier gegeven cijfers zijn “werkelijke” waarden. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van ISO-norm 4259 (Aardolieproducten - bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in de relatie tot de testmethoden) en bij de vaststelling van een minimumwaarde is met een minimaal verschil van 2R boven nul rekening gehouden (R= reproduceerbaarheid). De uitkomsten van de verschillende metingen worden geďnterpreteerd aan de hand van de in ISO-norm 4259 (gepubliceerd in 1995) beschreven criteria.
(2)
Deze beproevingsmethoden bevatten betrouwbaarheidscriteria. In geval van betwisting moeten de werkwijzen beschreven in EN ISO 4259 : 1995 toegepast worden om de betwisting op te lossen en de proefresultaten te interpreteren op basis van de betrouwbaarheidsgegevens van de beproevingsmethoden.
(3)
Voor niet-gedateerde verwijzingen is de laatste uitgave van de publicatie waarnaar verwezen wordt van toepassing (inbegrepen amenderingen).
b)
Voor de toepassing van artikel 419, f), moet onder “gasolie van de [2710 19 43 en 2710 20 11] met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg” worden verstaan, de gasolie die de grenswaarde van de onder a) vermelde tabel niet overschrijdt.]

§ 3 [

[De tarieven van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, b) en c), voor ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41, 2710 11 45 en 2710 11 49 en vastgesteld bij artikel 419, e) i) en f) i), voor gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 verhogen in de periode vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 16 maart 2022 tot voorlopige wijziging van artikel 419, b), c), e) i) en f) i), artikel 420, § 3 en artikel 429, § 5, 1) van de programmawet van 27 december 2004, [tot en met 31 maart 2023], tot maximaal het niveau van de bijzondere accijns zoals van toepassing op 1 januari 2022 en dit overeenkomstig de procedure zoals hierna bepaald:
De bijzondere accijns zal worden verhoogd vanaf de eerste en bij elke bijkomende vermindering van de maximumprijs vastgesteld door de programmaovereenkomst betreffende de verkoopprijzen van de aardolieproducten afgesloten tussen de Belgische Staat en de petroleumsector, op voorwaarde dat de eerste vermindering leidt tot een maximumprijs van de richtproducten vermeld in de programmaovereenkomst lager dan 1,70 euro per liter respectievelijk voor de ongelode benzine of voor de gasolie, telkens rekening houdend met het feit dat de verhoging van de bijzondere accijns slechts de helft van de verlaging van het maximum van de prijs exclusief btw van de richtproducten vermeld in de programmaovereenkomst mag bedragen, waarbij de verhoging er niet toe mag leiden dat het tarief van de bijzondere accijns zoals vastgesteld op 1 januari 2022 wordt overschreden.
[Op 1 april 2023] wordt de bijzondere accijns opnieuw vastgesteld op het niveau zoals van toepassing op 1 januari 2022.
Naar aanleiding van elke verlaging van de maximumprijs die een verhoging van de bijzondere accijns tot gevolg heeft, publiceert de minister bevoegd voor Financiën een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad dat het bedrag van de maximumprijs exclusief btw, het nieuwe tarief van de bijzondere accijns en de datum van inwerkingtreding vermeldt.
]
In afwijking van artikel 427 bepaalt de Koning in een enkel, voor alle verhogingen van de bijzondere accijns vastgesteld overeenkomstig de bepalingen opgenomen in 1°, geldig koninklijk besluit de voorwaarden en eventuele beperkingen binnen dewelke een belastingheffing op de voorraden energieproducten die tot verbruik zijn uitgeslagen zal plaatsvinden.
]

[§ 3/1

Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, i), iii), 2), b), i), wijzigt overeenkomstig de procedure zoals hierna bepaald:
i)
de bijzondere accijns zal worden verlaagd indien de gemiddelde prijs van de energiekost voor aardgas berekend per kwartaal hoger is dan de bovenwaarde van 100 euro per MWh;
ii)
voor deze paragraaf wordt de gemiddelde prijs van de energiekosten per kwartaal vastgesteld op basis van het gemiddelde van de maandelijkse noteringen van de index TTF101 voor het begreffende kwartaal, zoals gepubliceerd op de website van de CREG, of bij gebrek aan publicatie, zoals meegedeeld door de CREG aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen ten laatste op de vijfde dag van de maand volgend op het betreffende kwartaal.
De Koning kan beslissen een andere index met maandelijkse noteringen te gebruiken.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het tweede lid genomen besluiten. Die besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
iii)
de bijzondere accijns wordt verlaagd met zes procent van het verschil tussen de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal en de bovenwaarde zoals opgenomen in punt i), met dien verstande dat de verlaging van de bijzondere accijns nooit kan leiden tot een tarief van de bijzondere accijns lager dan 0,0822 euro per MWh.
De verlaging van de bijzondere accijns wordt steeds toegepast op een tarief van de bijzondere accijns van 8,23 euro per MWh;
iv)
het tarief van de bijzondere accijns wordt aangepast op basis van de berekening zoals voorzien in punt 1°, iii) van dit lid en treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 6°.
Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, i), iii), 2), b), ii), wijzigt overeenkomstig de procedure zoals hierna bepaald:
i)
de bijzondere accijns zal worden verhoogd indien de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal lager is dan de onderwaarde van 45 euro per MWh;
ii)
de gemiddelde prijs van de energiekost per kwartaal wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de maandelijkse noteringen van de index TTF101 voor het betrokken kwartaal zoals gepubliceerd op de website van de CREG, of bij gebrek aan publicatie, zoals meegedeeld door de CREG aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen ten laatste op de vijfde dag van de maand volgend op het betreffende kwartaal;
iii)
de verhoging van de bijzondere accijns komt overeen met zes procent van het verschil tussen de onderwaarde zoals opgenomen in punt i) en de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal.
De verhoging van de bijzondere accijns wordt steeds toegepast op een tarief van de bijzondere accijns van 8,23 euro per MWh;
iv)
het tarief van de bijzondere accijns wordt aangepast op basis van de berekening zoals voorzien in punt 2°, iii) van dit lid en treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 6°.
Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, i), iii), 2), b), i), zal hernemen op 8,23 euro per MWh indien de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal zoals voorzien in 1°, ii), gelijk is aan of lager is dan de bovenwaarde, vastgesteld in 1°, i). Dit tarief treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 6°.
Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, i), iii), 2), b), ii), zal hernemen op 8,23 euro per MWh indien de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal zoals voorzien in 2°, ii), gelijk is aan of hoger is dan de onderwaarde vastgesteld in 2°, i). Dit tarief treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 6°.
De bovenwaarde bedoeld in punt 1°, i), en de onderwaarde bedoeld in punt 2°, i), worden jaarlijks geďndexeerd.
Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprijzen van juni van de 2 voorgaande jaren.
Naar aanleiding van elke wijziging van de bijzondere accijns overeenkomstig de bepalingen onder 1° tot 4°, publiceert de minister bevoegd voor Financiën ten laatste de twintigste dag van de maand volgend op het kwartaal dat aanleiding geeft tot een wijziging overeenkomstig de bepalingen onder 1° tot 4°, een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad dat het nieuwe tarief van de bijzondere accijns en de datum van inwerkingtreding vermeldt.
]

[§ 3/2

Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, k), 2), b), i), wijzigt overeenkomstig de procedure zoals hierna bepaald:
i)
de bijzondere accijns zal worden verlaagd indien de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal hoger is dan de bovenwaarde van 250 euro per MWh;
ii)
de gemiddelde prijs van de energiekost per kwartaal wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de maandelijkse noteringen van de index ENDEX101 zoals gepubliceerd op de website van de CREG, of bij gebrek aan publicatie, zoals meegedeeld door de CREG aan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, ten laatste op de vijfde dag van de maand volgend op het betreffende kwartaal.
De Koning kan beslissen een andere index met maandelijkse noteringen te gebruiken.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerst-volgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het tweede lid genomen besluiten. Die besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
iii)
de verlaging van de bijzondere accijns komt overeen met zes procent van het verschil tussen de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal en de bovenwaarde zoals opgenomen in punt i), met dien verstande dat de verlaging van de bijzondere accijns nooit kan leiden tot een tarief van de bijzondere accijns lager dan 0 euro per MWh.
De verlaging van de bijzondere accijns wordt steeds toegepast op een tarief van de bijzondere accijns van 47,48 euro per MWh;
iv)
het tarief van de bijzondere accijns wordt aangepast op basis van de berekening zoals voorzien in punt 1°, iii) van dit lid en treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 4°.
Het tarief van de bijzondere accijns vastgesteld bij artikel 419, k), 2), b), i), zal hernemen op 47,48 euro per MWh indien de gemiddelde prijs van de energiekost berekend per kwartaal zoals voorzien in 1°, ii), kleiner is dan of gelijk is aan de bovenwaarde vastgesteld in punt 1°, i). Dit tarief treedt in werking de eerste dag van het kwartaal volgend op de publicatie voorzien in punt 4°.
De bovenwaarde bedoeld in punt 1°, i), wordt jaarlijks geďndexeerd.
Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprijzen van juni van de 2 voorgaande jaren.
Naar aanleiding van elke wijziging van de bijzondere accijns overeenkomstig de bepalingen onder 1° en 2°, publiceert de minister bevoegd voor Financiën ten laatste de twintigste dag van de maand volgend op het kwartaal dat aanleiding geeft tot een wijziging overeenkomstig de bepalingen onder 1° of 2° een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad dat het nieuwe tarief van de bijzondere accijns en de datum van inwerkingtreding vermeldt.
]

§ 4

Met het oog op de toepassing van artikel 419, d) tot en met f), h) en i), worden aangemerkt als zijnde “gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden”, de onder fiscale controle gebruikte kerosine, gasolie, LPG en aardgas voor:
a)
stationaire motoren;
b)
de installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken;
c)
de voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt of waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg.
Onder de toepassing van de bepaling onder b) is eveneens begrepen het industrieel automobielmaterieel dat wezenlijk een functie van werktuig heeft, met een nagenoeg onbestaande nuttige last ten opzichte van zijn tarra.
[Worden niet aangemerkt als zijnde bestemd voor industriële en commerciële doeleinden de brandstoffen gebruikt voor de voeding van motoren van voertuigen – andere dan deze bedoeld onder c) – die dienen voor het vervoer van materieel, machines en voertuigen als bedoeld in het eerste lid.]
[De Koning omschrijft nader wat wordt verstaan onder de bewoordingen opgenomen onder de punten a), b) en c).]

§ 5 [

Voor de toepassing van het tarief betreffende “zakelijk gebruik”, bedoeld in artikel 419, d) tot en met i) en k), moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
Het moet gaan om het zakelijk gebruik van een bedrijf, dit is het verbruik van een bedrijf dat zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten.
De economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije beroepen.
De Staat, lokale en regionale overheden en andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als bedrijf aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten.
Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, worden zij daarvoor als bedrijf aangemerkt, indien een behandeling als niet-bedrijf tot concurrentieverstoringen van enige betekenis zou leiden.
Als “bedrijf” kan niet worden beschouwd een eenheid kleiner dan een afdeling van een bedrijf of een juridische entiteit die uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een eenheid die op eigen kracht kan functioneren.
Waar zakelijk en niet-zakelijk gebruik plaatsvindt, wordt de belasting geheven naar evenredigheid van elk type gebruik; indien het zakelijk of het niet-zakelijk gebruik van weinig belang is, kan het evenwel als nihil worden behandeld.
]

[§ 5/1

Voor de levering van elektriciteit en aardgas gebruikt als verwarmingsbrandstof in het kader van een contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer-natuurlijke persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld, geldt een weerlegbaar vermoeden in hoofde van de distributeur dat het gaat om een levering voor niet-zakelijk gebruik in de zin van paragraaf 5.
Voor de levering van elektriciteit en aardgas gebruikt als verwarmingsbrandstof in het kader van een contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer een ondernemingsnummer is meegedeeld, geldt een weerlegbaar vermoeden in hoofde van de distributeur dat het gaat om een levering voor zakelijk gebruik in de zin van paragraaf 5, tenzij de verbruiker de distributeur uitdrukkelijk heeft gemeld dat het gaat om een contract voor een levering voor overwegend niet-zakelijk gebruik in de zin van paragraaf 5, door middel van de volgende verklaring:
“Dit contract is afgesloten met het oog op een levering van aardgas gebruikt als verwarmingsbrandstof/elektriciteit voor overwegend niet-zakelijk gebruik in de zin van artikel 420, § 5, van de programmawet van 27 december 2004.”.
Wanneer de verbruiker meldt dat het gaat om een overwegend niet-zakelijk verbruik overeenkomstig het tweede lid, past de distributeur de accijnzen met betrekking tot een niet-zakelijk gebruik slechts toe vanaf de eerste dag van de maand volgend op die melding door de verbruiker, en ten vroegste vanaf 1 juli 2023.
Behoudens samenspanning tussen de partijen, ontslaat de niet-mededeling van zijn ondernemingsnummer of de melding van het overwegend niet-zakelijk gebruik door de verbruiker overeenkomstig het eerste of tweede lid, de distributeur van zijn aansprakelijkheid ten aanzien van de bepaling van de toepasselijke tarieven van de accijnzen.
]

§ 6 [

Voor de toepassing van artikel 419, k), moet onder “een met hoogspanning gelijkgestelde afnemer” worden verstaan, een eindgebruiker die wordt gevoed via een zelf gefinancierde geďndividualiseerde kabel vanuit een transformatorcabine die deel uitmaakt van het hoogspanningsnetwerk. Deze klanten worden als dusdanig geďdentificeerd door de netbeheerder
]

[§ 7

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot het tarief bedoeld in artikel 419, i), iii) voor de bedrijven die beschikken over een “energiebeleidsovereenkomst” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Vlaams Gewest, een “accord de branche” afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Waals Gewest of een gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door en toegepast overeenkomstig de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
]

§ [8 [...]]

Wetshistoriek
§§ 1 en 2 vervangen bij art. 3, 1° en 2° W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8).
§ 2, a) en b) gewijzigd bij art. 74, 1° en 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
§ 3 vervangen bij art. 65 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68).
§ 3, enig lid, 1° vervangen bij art. 49 Wet 21 december 2022 (BS 29 december 2022), met ingang van 28 september 2022 (art. 51) en gewijzigd bij art. 52, 1° en 2° Wet 21 december 2022 (BS 29 december 2022), met ingang van 1 januari 2023 (art. 53).
§ 3/1 ingevoegd bij art. 6 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
§ 3/2 ingevoegd bij art. 10 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
§ 4 gewijzigd bij art. 6, 1° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)) en bij art. 99 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).
§ 5 vervangen bij art. 96 Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98).
§ 5/1 ingevoegd bij art. 7 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
§ 6 vervangen bij art. 96 Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98).
§ 7 opgeheven bij art. 96 Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98) en opnieuw opgenomen bij art. 3 Wet 14 december 2015 (BS 23 december 2015 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 5).
§ 8 ingevoegd bij art. 6, 2° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 96 Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98).
Voorgeschiedenis
§ 3 voorlopig vervangen bij art. 3 KB 26 oktober 2015 (BS 30 oktober 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 november 2015 (art. 5) en bij art. 4 Wet 27 juni 2016 (BS 30 juni 2016), met ingang van 1 november 2015 (art. 12).
§ 3, a) vervangen bij art. 198 W. 22 december 2008 (B.S., 29 december 2008 (vierde uitg.)) en bij art. 162 Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)).
§ 3, enig lid:
1° gewijzigd bij art. 112, 1° tot 4° Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120), bij art. 143 Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146) en bij art. 75 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
2° gewijzigd bij art. 113 Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120);
2°, i) gewijzigd bij art. 114 Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120);
2°, ii) gewijzigd bij art. 115 Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120);
2, iii) gewijzigd bij art. 116 Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120) en bij art. 144 Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146);
2, iv) gewijzigd bij art. 117 Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120) en bij art. 145 Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2018 (art. 146).
§§ 5 tot 7 gewijzigd bij art. 3 W. 20 juli 2005 (B.S., 28 juli 2005), met ingang van 1 augustus 2005 (art. 4).

Artikel 421
Ongeacht de algemene bepalingen ter omschrijving van het belastbaar feit en de bepalingen betreffende de betaling van de accijnzen opgenomen in [de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen] zijn de accijnzen op energieproducten eveneens verschuldigd wanneer een van de in artikel 417 bedoelde belastbare feiten zich voordoet.
In dit geval zijn de accijnzen verschuldigd door:
de persoon die dit belastbaar feit heeft gesteld;
de persoon die een product bedoeld in artikel 417 heeft verkregen, voorhanden had of heeft en die, op het moment dat hij dit product heeft verkregen of ontvangen, wist of redelijkerwijze had moeten weten, dat het een product betrof waarvoor accijnzen verschuldigd waren die nog niet werden geďnd.
Indien er meerdere schuldenaars zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de accijnzen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 100 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Artikel 422
De accijnzen op energieproducten en elektriciteit zijn verschuldigd wanneer wordt aangetoond dat aan een voorwaarde inzake eindgebruik voor de toepassing van een verlaagd tarief of het verlenen van vrijstelling, niet of niet langer wordt voldaan.
In dit geval zijn de accijnzen verschuldigd door de persoon die de energieproducten of de elektriciteit voorhanden heeft.

Artikel 423
Het verbruik van energieproducten en elektriciteit binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijnzen verschuldigd worden.
Verbruik voor doeleinden die geen verband houden met de productie van energieproducten en met name voor de voortbeweging van motorvoertuigen, wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijnzen verschuldigd worden.

Artikel 424

§ 1

In afwijking van [de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen] worden elektriciteit en aardgas aan accijnzen onderworpen en worden de accijnzen verschuldigd door de distributeur op het tijdstip van de levering ervan door deze laatste aan de verbruiker.
Er wordt aangenomen dat de levering plaatsvindt na verloop van iedere periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft voor de doorlopende leveringen van aardgas en elektriciteit die aanleiding geven tot achtereenvolgende afrekeningen of betalingen.
Onder distributeur wordt verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die voor zijn rekening of voor rekening van derden aardgas en/of elektriciteit [levert aan verbruikers, met uitzondering van de personen die elektriciteit produceren en leveren overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 429, § 2, b) of d)].

[§ 1/1

De levering van elektriciteit voor het opladen van elektrische voertuigen via laadpalen maakt, voor de toepassing van dit hoofdstuk, deel uit van de elektriciteit afgenomen van het transport- of verdelingsnetwerk door de afnemer van de elektriciteit op het afnamepunt van het transport- of verdelingsnetwerk waarop de laadpaal is aangesloten. Deze levering verleent de afnemer niet de hoedanigheid van distributeur, maar wel van verbruiker.
]

§ 2

Een entiteit die voor eigen gebruik elektriciteit produceert, wordt beschouwd als distributeur[, met uitzondering van de personen die elektriciteit produceren overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 429, § 2, b) of d)].
In dit geval worden de verschuldigde accijnzen vastgesteld rekening houdend met de aansluiting van de productie-eenheid op het transport- of verdelingsnetwerk waarvan de nominale spanning hetzij minder dan of gelijk is aan 1kV hetzij meer is dan 1 kV; terzake zijn de in artikel 419, k), vastgestelde tarieven inzake accijnzen van toepassing.
Niettemin zijn de producenten die elektriciteit produceren voor hun eigen gebruik uit energieproducten vrijgesteld van de accijnzen mits de accijnzen op de gebruikte energieproducten vooraf zijn betaald en het betaalde bedrag niet lager is dan het verschuldigde bedrag op de geproduceerde elektriciteit.
[Het verbruik van elektriciteit door derden voor het opladen van elektrische voertuigen wordt, voor de toepassing van deze paragraaf, als eigen gebruik beschouwd van de entiteit die elektriciteit produceert.]

§ 3

Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 is de Koning gemachtigd tot het treffen van elke maatregel om de juiste heffing van de accijnzen te verzekeren en om het toezicht en de controle op de personen in wiens hoofde deze accijnzen verschuldigd zijn te regelen.

§ 4

De minister van Financiën kan, onder de door hem vastgestelde voorwaarden, uitstel van betaling toestaan voor de bijdrage op de energie.
[...]

[§ 5

Voor de toepassing van artikel 419, i, en k), is de Koning gemachtigd om de methodologie vast te stellen voor de toepassing per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis.
]
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 101 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)) en bij art. 76, 1° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
§ 1/1 ingevoegd bij art. 24, 1° Wet 25 november 2021 (BS 3 december 2021).
§ 2 gewijzigd bij art. 24, 2° Wet 25 november 2021 (BS 3 december 2021) en bij art. 76, 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
§ 4 gewijzigd bij art. 4 W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8).
§ 5 ingevoegd bij art. 40 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44).

Artikel 425
In afwijking van [de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen] worden kolen, cokes en bruinkool aan accijnzen onderworpen en worden de accijnzen verschuldigd op het tijdstip van levering aan de kleinhandelaar door bedrijven die gehouden zijn zich te registreren volgens de modaliteiten [bepaald door de Koning], tenzij de producent, de invoerder, de verwerver of eventueel zijn fiscale vertegenwoordiger in de plaats zou treden van deze geregistreerde bedrijven voor de verplichtingen die hen zijn opgelegd.
Onder kleinhandelaar dient te worden verstaan iedere natuurlijke- of rechtspersoon die kolen, cokes en bruinkool levert aan natuurlijke- of rechtspersonen die ze verbruiken.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met “levering aan de kleinhandelaar” gelijkgesteld, de leveringen vanuit een andere lidstaat of een derde land ter bestemming van een kleinhandelaar of een eindverbruiker hier te lande. In dit geval moeten de accijnzen worden betaald door een hier te lande gevestigde fiscaal vertegenwoordiger aangeduid door de buitenlandse verkoper. Desalniettemin kunnen de kleinhandelaar of de eindverbruiker zich in de plaats stellen van deze fiscaal vertegenwoordiger.
Wordt beschouwd als “tijdstip van levering aan de kleinhandelaar”, de datum van het opstellen van de factuur betreffende deze levering.
De Koning is gemachtigd tot het treffen van elke maatregel om de juiste heffing van de accijnzen te verzekeren en om het toezicht en de controle op de personen in wiens hoofde deze accijnzen verschuldigd zijn te regelen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 102 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Artikel 426

§ 1

Voor de toepassing van deze wet wordt onder de term “productie” vermeld in [artikel 5, 6°, en artikel 6 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen], in voorkomend geval tevens “winning” verstaan.

§ 2

Als “productie van energieproducten” wordt niet beschouwd”:
a)
de handelingen waarbij tijdens het productieproces ongewild kleine hoeveelheden energieproducten worden verkregen;
b)
de handelingen waardoor de gebruiker van een energieproduct hergebruik daarvan in zijn eigen onderneming mogelijk maakt, mits de op dat product reeds betaalde accijnzen niet lager zijn dan de accijnzen die verschuldigd zouden zijn indien het hergebruikte energieproduct opnieuw aan accijnzen werd onderworpen;
c)
een handeling die bestaat in het mengen, buiten een productiebedrijf of een belastingentrepot, van energieproducten met andere energieproducten of andere stoffen mits:
i)
tevoren op de bestanddelen accijnzen werden betaald en
ii)
het betaalde bedrag niet lager is dan het bedrag aan accijnzen dat op het mengsel verschuldigd zou zijn.
De voorwaarde bedoeld onder i) is niet van toepassing wanneer het mengsel voor een specifiek gebruik is vrijgesteld.
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 103 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Artikel 427
Bij wijziging van één of meer tarieven inzake accijnzen zal op voorraden energieproducten die tot verbruik zijn uitgeslagen een verhoging of een verlaging van de accijnzen worden toegepast onder de door de Koning te bepalen voorwaarden en eventuele beperkingen.

Artikel 428

§ 1

De reeds betaalde accijnzen op verontreinigde of bij toeval vermengde energieproducten die ter bewerking opnieuw in een belastingentrepot worden ingeslagen, worden terugbetaald onder de voorwaarden [bepaald door de Koning].

§ 2

Terugbetaling van de accijnzen wordt toegestaan voor de benzinedampen waarvoor is aangetoond dat ze afkomstig zijn van benzines die tot verbruik werden uitgeslagen uit een belastingentrepot hier te lande, die werden verzonden naar benzinestations hier te lande uitgerust met een dampterugwinningseenheid en wederingeslagen worden in een belastingentrepot hier te lande. Voor de toepassing van deze bepaling dienen het belastingentrepot van vertrek van waaruit de energieproducten tot verbruik werden uitgeslagen, evenals de voor het vervoer van deze producten gebruikte voertuigen en het belastingentrepot waarin de benzinedampen weder worden ingeslagen, met een dampterugwinningseenheid uitgerust te zijn.
Deze terugbetaling wordt op forfaitaire basis verleend aan de persoon die de benzine waarvan de dampen afkomstig zijn tot verbruik heeft uitgeslagen tegen het tarief dat betrekking heeft op ongelode benzine, vastgesteld in artikel 419 en dat van toepassing is op de dag van de uitslag tot verbruik bedoeld in het eerste lid en op de soort ongelode benzine die tot verbruik werd uitgeslagen.
Het forfait waarvan sprake in het tweede lid wordt vastgesteld op 1,7 liter benzine per 1000 liter aan de in het eerste lid bedoelde benzinestations geleverde benzine.
[De Koning omschrijft nader wat moet worden verstaan onder “benzinedampen” en “dampterugwinningseenheid”.]
Wetshistoriek
§ 1 gewijzigd bij art. 104, 1° Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).
§ 2 gewijzigd bij art. 104, 2° Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Afdeling IV Vrijstellingen

Artikel 429

§ 1

Naast de algemene bepalingen inzake vrijgesteld gebruik van met accijnzen belastbare producten en onverminderd andere communautaire bepalingen worden onderstaande producten vrijgesteld van accijnzen:
a)
de energieproducten die worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor motorbrandstof of verwarmingsbrandstof;
b)
de energieproducten met een duaal gebruik.
Een energieproduct kent een duaal gebruik wanneer het zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof wordt gebruikt. Het gebruik van energieproducten voor chemische reductie of elektrolytische en metallurgische procédés wordt als duaal gebruik beschouwd.
In de zin van onderhavige wet wordt verstaan onder “metallurgische procédés”, de procédés die leiden tot de verkrijging van producten geklasseerd onder de DI codes van de NACE nomenclatuur of onder de volgende Prodcom codes:
23.10 Vervaardiging van cokesovenproducten;
27.10 Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen;
27.41 Productie van edele metalen;
27.42 Productie van aluminium, tot en met de code 27.42.25.00;
27.43 Productie van lood, zink en tin, met uitzondering van de codes 27.43.23.00, 27.43.26.00 en 27.43.29.00;
27.44 Productie van koper, tot en met de code 27.44.25.00;
27.45 Productie van overige non-ferrometalen, met uitzondering van de codes 27.45.24.30, 27.45.24.50, 27.45.30.17 (code 8102 99 00), 27.45.30.23 (code 8103 90 90), 27.45.30.25 (code 8104 90 00), 27.45.30.27 (code 8105 90 00), 27.45.30.33 (code 8106 00 90), 27.45.30.37, 27.45.30.43 (codes 8108 90 10, 8108 90 70, 8108 90 90), 27.45.30.45 (code 8109 90 00), 27.45.30.47 (code 8110 90 00), 27.45.30.53 (code 8111 00 90), 27.45.30.55 (codes 8112 19 00, 8112 29 00, 8112 30 90, 8112 40 90, 8112 59 00, 8112 99 10, 8112 99 30 en 8112 99 80) en 27.45.30.57 (code 8113 00 90).
In de zin van deze bepaling wordt verstaan:
onder NACE nomenclatuur, deze vermeldt in de Verordening (EEG) nr 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (PB L 293 van 24 oktober 1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr 29/2002 van de Commissie (PB L 6 van 10 januari 2002, blz.3));
onder Prodcom codes, diegene vermeld in de bijlage bij Verordening (EG) nr 210/ 2004 van de Commissie, van 23 december 2003, die voor 2003 de “Prodcom lijst” vaststelt voor industriële producten voorzien bij Verordening (EG) nr 3924/91 van de Raad (PB L 45 van 14 februari 2004, bladzijden 1 tot en met 248);
c)
elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt er verwezen naar de definitie van “metallurgische procédés” opgenomen onder b);
d)
de energieproducten en elektriciteit gebruikt voor mineralogische procédés.
In de zin van deze wet wordt onder “mineralogische procédés” verstaan de procédés opgenomen in de NACE-nomenclatuur onder code D.I. 26 “Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten” die in Verordening (EEG) nr 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten die in de Europese Gemeenschap zijn ondergebracht;
[Worden aangemerkt als zijnde begrepen onder de bovenvermelde procédés, alle werkzaamheden vanaf het lossen van de grondstoffen, daaronder begrepen het lossen in de grondstoffenverbrijzelaar, de interne grondstoftransporten binnen de productieafdeling en de behandeling van de ledige verpakkingen en de toevoegstoffen bestemd voor de fabricage, tot het verkrijgen van afgewerkte producten daaronder mede begrepen het vervoer ervan naar een opslagplaats gelegen binnen de productieafdeling en het daar uitvoeren van behandelingen met betrekking tot de opslag en de uitslag uit de stockageplaats;]
e)
[de energieproducten, met uitzondering van zware stookolie, kolen, cokes en bruinkool, en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren;]
f)
de energieproducten die worden geleverd voor gebruik als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof voor [andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart].
Voor de toepassing van deze wet wordt onder “particuliere plezierluchtvaart” verstaan, het gebruik van een luchtvaartuig door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
Deze vrijstelling is beperkt tot leveringen van reactiemotorbrandstof (GN-code 2710 19 21);
g)
[de energieproducten die worden geleverd voor gebruik als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van de visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van de vaartuigen opgewekte elektriciteit.]
Voor de toepassing van deze wet wordt onder “particuliere pleziervaartuigen” verstaan, vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.

§ 2

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen wordt vrijstelling van accijnzen verleend voor de volgende producten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt:
a)
de belastbare producten gebruikt bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker producten of met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;
b)
elektriciteit [die niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen]:
afkomstig van zon, wind, golven, getijden of aardwarmte,
afkomstig van waterkracht, welke wordt opgewekt in waterkrachtcentrales,
afkomstig van biomassa of van uit biomassa afkomstige producten,
opgewekt uit brandstofcellen.
[...]
c)
de energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor warmtekrachtkoppeling;
d)
[elektriciteit opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, op voorwaarde dat de installaties voor warmtekrachtkoppeling milieuvriendelijk zijn en op voorwaarde dat de geproduceerde elektriciteit niet van het transmissie- of distributienet wordt afgenomen;
[Worden beschouwd als milieuvriendelijk, de installaties voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling met een hoog rendement die een besparing aan primaire energie verzekeren van minstens 10 % in vergelijking met de referentiegegevens van de gescheiden productie van warmte en elektriciteit.
De besparing op primaire energie als gevolg van warmtekrachtkoppelingsproductie wordt met de volgende formule berekend:
waarbij:
PES de besparing op primaire energie is.
CHPHη het warmterendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als de opbrengst aan nuttige warmte op jaarbasis gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling.
RefHη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden warmteproductie is.
CHPEη het elektriciteitsrendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling. Indien een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit gelijk aan die van mechanische energie.
RefEη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden elektriciteitsproductie is.]
]
e)
motorbrandstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen en schepen;
f)
gasolie en kerosine evenals elektriciteit die worden gebruikt voor het vervoer van personen en goederen per spoor;
g)
[energieproducten] die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op binnenwateren (met inbegrip van visserij), [en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen], en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit;
h)
[energieproducten die worden geleverd voor gebruik als motorbrandstof] die worden gebruikt bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens;
i)
[energieproducten en elektriciteit] uitsluitend gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden; [De vrijstelling voor aardgas en elektriciteit is beperkt tot de bijdrage op de energie;]
j)
[...];
k)
kolen, cokes, bruinkool en vaste brandstoffen die worden verbruikt door huishoudens.
In de zin van onderhavige bepaling, verstaat men onder “verbruikt door huishoudens”, elk verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bepaald in artikel 420, § 5, a);
l)
[...]
[m)
[...]
n)
[[...]
o)
[[...]
p)
[...]
Deze vrijstelling verstrijkt op 31 december 2006.
Na verloop van deze periode zullen zowel de begrotingskosten van de maatregel als andere elementen met betrekking tot de milieuproblemen worden geëvalueerd teneinde te bepalen of de maatregel kan worden verlengd of een amendement is vereist.]

§ 3

De in § 2, i), vermelde vrijstelling is van toepassing voor de producten gebruikt:
a)
als brandstof:
i)
voor verwarmingsdoeleinden [in het kader van strikte landbouwactiviteiten], in de ruimtes voorbehouden voor de veeteelt [...] evenals voor droog- en bewaringsinrichtingen voor landbouwproducten;
ii)
voor de geforceerde teelt van tuinbouwproducten;
iii)
voor de exploitatie van kweek- en productietechnieken voor vissen;
b)
als brandstof voor de voeding van geďnstalleerde motoren op:
i)
land-, tuin- en bosbouwtractoren;
ii)
machines, gereedschappen, werk- en voertuigen met een speciaal voortstuwingsmechanisme, die ongeschikt zijn voor tractie en personen-, goederen- en dierenvervoer en die speciaal ontworpen zijn om uitsluitend te worden gebruikt in de land-, tuin- en bosbouw en in de visteelt.
Onder land-, tuin- en bosbouwtractoren in de zin van deze paragraaf wordt verstaan: de eigenlijke tractoren en tuinfrezen, als dusdanig ingeschreven, die op de openbare weg mogen rijden en die gebruikt worden voor:
het voorttrekken van machines, landbouwwerktuigen, al dan niet geladen aanhang- of transportwagens, die bij hun exploitatie worden gebruikt door een land-, tuin- en bosbouwer of in de visteelt of door personen die in hun dienst werken, voor zover er een direct verband bestaat tussen het gebruik op de openbare weg en het beheer van deze exploitatie;
door andere dan voornoemde ondernemers, of door hun personeel, voor werkzaamheden die betrekking hebben op de exploitatie door derden van de land-, tuin- en bosbouwbedrijven of viskwekerijen voor zover het vervoer via de openbare weg van handelsgoederen, landbouwproducten of dieren slechts gebeurt tussen de boerderij en de bijhorende erven en omgekeerd.
De vrijstelling is niet van toepassing op de brandstoffen gebruikt voor de voeding van motoren van vrachtwagens en andere speciaal ingerichte voertuigen die dienen of zouden kunnen dienen voor het vervoer van tractoren, machines en andere werktuigen bedoeld in deze paragraaf.
[De land-, tuin- en bosbouwtractoren die worden gebruikt in de vrijstellingsgevallen bedoeld in § 2, i), mogen ook worden gebruikt voor werkzaamheden waarvoor geen recht op vrijstelling bestaat en mogen worden aangedreven met gasolie die is vrijgesteld van accijnzen onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
Bij dergelijk gebruik wordt het niet-vrijgestelde verbruik van gasolie vastgesteld door middel van een forfait van 0,2 liter per gepresteerd uur en per kilowatt van de betrokken tractor.]

§ 4 [...]

§ 5

1)
[De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i), kan genieten van een vrijstelling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag dat wordt vastgesteld als volgt:
vanaf 1 januari 2024: 193,5000 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
vanaf 1 januari 2025: 192,4000 euro per 1.000 liter bij 15 °C;
vanaf 1 januari 2026: 191,3000 euro per 1.000 liter bij 15 °C.
]
2)
In afwijking van [het artikel 10 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen], wordt de terugbetaling bedoeld onder 1) toegestaan aan de persoon die het beoogde vervoer uitvoert [en dit op elektronische wijze ingediend via de online applicatie PDIE van de FOD Financiën via dewelke de aanvragers online een aanvraag indienen voor de terugbetaling van accijnzen zoals omschreven in punt 1).]
Deze persoon is bovendien gehouden zich te laten registreren overeenkomstig de modaliteiten bepaald door deze [administrateur-generaal van de douane en accijnzen]. Deze registratie dient voorafgaandelijk aan de aanvraag tot terugbetaling te gebeuren.
Het bewijs van de betaling van de bijzondere accijns wordt, te genoegen van de ambtenaren van [de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen], geleverd door de factuur opgesteld door de leverancier van de gasolie. De facturen opgesteld naar aanleiding van een betaling in contanten, geven geen recht op een terugbetaling.
[De terugbetaling wordt slechts toegestaan voor de leveringen van gasolie uitgevoerd na het verkrijgen van de bedoelde registratie.]
3)
Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt bij een tankstation, dient de factuur opgesteld door de leverancier de volgende elementen te bevatten:
de datum van de levering;
het adres van het tankstation;
het type en de hoeveelheid van de geleverde brandstof;
de totale prijs van de brandstof;
de nummerplaat van het voertuig.
Als overgangsmaatregel worden de facturen afgeleverd tussen 1 januari en 31 mei 2004 vrijgesteld van de vermelding van de nummerplaat van het voertuig.
De [administrateur-generaal van de douane en accijnzen] kan toestaan dat deze vermelding, op de facturen opgesteld vanaf 1 juni 2004, vervangen wordt door een andere vermelding. Dit kan worden aanvaard voor zover de persoon die de terugbetaling aanvraagt, ter ondersteuning van zijn boekhouding, de stukken bijhoudt die de administratie toelaten het verband tussen de factuur en het betrokken voertuig te leggen.
4)
Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt aan een opslagtank met brandstof die in verbruik werd gesteld en die toebehoort aan de persoon die de beoogde transporten uitvoert, dient deze persoon een administratie van de voorraden en bewegingen van de gasolie bij te houden. Deze voorraadadministratie dient de volgende elementen te bevatten:
de situatie van de voorraad op 4 februari 2004 om 0 uur en op 1 januari om 0 uur van de volgende jaren;
de aangekochte hoeveelheden met verwijzing naar de leveringsdata en de aankoopfacturen;
per tankbeurt van een voertuig:
de datum en het uur;
de hoeveelheid;
de nummerplaat van het voertuig;
de kilometerstand van het voertuig;
de identiteit van de chauffeur.
De [administrateur-generaal van de douane en accijnzen] kan toestaan dat deze voorraadadministratie andere gegevens bevat voor zover de regelmatigheid van de gevraagde terugbetaling gemakkelijk kan worden aangetoond.
5)
De minister van Financiën wordt er jaarlijks mee belast, in de loop van het tweede semester van het jaar, om de economische en budgettaire gevolgen te ramen verbonden aan de vrijstelling van de verhoging van de bijzondere accijns bedoeld onder 1).
[6)
[
a)
De in het kader van punt 2) ingezamelde persoonsgegevens worden verwerkt in het kader van de artikelen 4 en 209/2 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen.
b)
De verwerkingsverantwoordelijke voor de in het kader van punt 2) verzamelde en verwerkte persoonsgegevens is de Federale Overheidsdienst Financiën.
c)
De personen die toegang hebben tot deze gegevens zijn de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.
d)
De volgende categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
naam, adres, e-mailadres en telefoonnummer;
KBO-nummer of rijksregisternummer voor de in België gevestigde personen;
BIS-nummer en btw-nummer voor de niet in België gevestigde personen;
indien van toepassing adres van de zetel;
vergunningsnummer van de vergunning energieproducten en elektriciteit;
het bedrag van de terugbetaling;
het bankrekeningnummer waarop de terugbetaling moet uitgevoerd worden en de naam en het adres van de begunstigde.
e)
De bewaartermijn van de in het kader van punt 2) ingezamelde persoonsgegevens bedraagt tien jaar na indiening van de terugbetalingsaanvraag bedoeld in punt 2).
]

§ 6

De minister van Financiën kan uitwerking verlenen aan de in dit artikel bedoelde vrijstellingsmaatregelen door een teruggaaf van de betaalde accijnzen.

§ 7 [...]

Wetshistoriek
§ 1, enig lid:
d) gewijzigd bij art. 7, 1° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));
e) vervangen bij art. 3 W. 7 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 29 december 2006 (art. 4).
f) gewijzigd bij art. 7, 2° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));
g) gewijzigd bij art. 7, 3° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
§ 2, lid 1:
b) gewijzigd bij art. 41 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44) en bij art. 77, 1° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
d) vervangen bij art. 42 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44) en gewijzigd bij art. 77, 2° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
g) gewijzigd bij art. 7, 4° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)) en bij art. 77, 3° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
h) gewijzigd bij art. 77, 4° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
i) gewijzigd bij art. 43 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44) en bij art. 77, 5° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
j) opgeheven bij art. 7, 5° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));
l) opgeheven bij art. 77, 6° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
m) ingevoegd bij art. 32 W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), met ingang van 3 april 2006 (art. 1 K.B. 10 maart 2006 (B.S., 20 maart 2006 (tweede uitg.))), zelf vervangen bij art. 150 W. 27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 26 Wet 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1));
n) ingevoegd bij art. 32 W. 11 juli 2005 (B.S., 12 juli 2005 (tweede uitg.)), met ingang van 3 april 2006 (art. 1 K.B. 10 maart 2006 (B.S., 20 maart 2006 (tweede uitg.))), zelf vervangen bij art. 150 W. 27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 77, 7° Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022);
o) ingevoegd bij art. 5 W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8) en opgeheven bij art. 8 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16);
p) ingevoegd bij art. 5 W. 25 februari 2007 (B.S., 5 maart 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 5 maart 2007 (art. 8) en opgeheven bij art. 11 Wet 19 maart 2023 (BS 29 maart 2023), met ingang van 1 april 2023 (art. 16).
§ 3 gewijzigd bij art. 7, 7° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)) en bij art. 7 Wet 18 december 2015 (BS 29 december 2015), met ingang van 1 januari 2016 (art. 21).
§ 4 opgeheven bij art. 7, 8° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
§ 5, 1) vervangen bij art. 46 Wet 22 december 2023 (BS 29 december 2023 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2024 (art. 57).
§ 5, 2) gewijzigd bij art. 105 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)), bij art. 95 Wet 25 april 2014 (BS 16 mei 2014), met ingang van 16 mei 2014 (art. 99), bij art. 8 Wet 18 december 2015 (BS 29 december 2015), met ingang van 1 januari 2016 (art. 21), bij art. 167, 1° Wet 27 april 2016 (BS 6 mei 2016) en bij art. 62, 1° Wet 12 mei 2024 (BS 29 mei 2024), met ingang van 1 juni 2024 (art. 63).
§ 5, 3) gewijzigd bij art. 167, 2° Wet 27 april 2016 (BS 6 mei 2016).
§ 5, 4) gewijzigd bij art. 167, 3° Wet 27 april 2016 (BS 6 mei 2016).
§ 5, 6) ingevoegd bij art. 9 W. 10 juni 2006 (B.S., 16 juni 2006), opgeheven bij art. 97, b) Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98) en opnieuw opgenomen bij art. 62, 2° Wet 12 mei 2024 (BS 29 mei 2024), met ingang van 1 juni 2024 (art. 63).
§ 7 opgeheven bij art. 7, 8° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
§ 2, lid 1 vervangen bij art. 161 W. 27 april 2007 (B.S., 8 mei 2007 (derde uitg.)) en gewijzigd bij art. 1 KB 14 december 2012 (BS 20 december 2012 (ed. 4)).
§ 2, lid 1:
m) vervangen bij art. 6 Wet 18 december 2015 (BS 29 december 2015), met ingang van 1 januari 2016 (art. 21);
p) gewijzigd bij art. 7, 6° W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
§ 5, 1), inleidende bepaling vervangen bij art. 163 Wet 23 december 2009 (BS 30 december 2009 (ed. 1)), bij art. 97, a) Wet 19 december 2014 (BS 29 december 2014 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2015 (art. 98) en voorlopig vervangen bij art. 4 KB 26 oktober 2015 (BS 30 oktober 2015 (ed. 2)), met ingang van 1 november 2015 (art. 5) en gewijzigd bij art. 118, 1° en 2° Wet 1 juli 2016 (BS 4 juli 2016 (ed. 2)), met ingang van 1 juli 2016 (art. 120).
§ 5, 1) gewijzigd bij art. 5 Wet 27 juni 2016 (BS 30 juni 2016, err., BS 15 juli 2016), met ingang van 1 november 2015 (art. 12), bij art. 36, 1° en 2° Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2022 (art. 44) en bij art. 22 Wet 25 november 2021 (BS 3 december 2021), met ingang van 1 januari 2023 (art. 23, zelf vervangen bij art. 37 Wet 27 december 2021 (BS 31 december 2021 (ed. 1)), nooit in werking getreden, en zelf gewijzigd bij art. 54 Wet 21 december 2022 (BS 29 december 2022), met ingang van 31 december 2022 (art. 55).
§ 5, 1) vervangen bij art. 66 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022), met ingang van 19 maart 2022 (art. 68).

Artikel 430

§ 1

De in een andere lidstaat tot verbruik uitgeslagen energieproducten die zich in de normale reservoirs van bedrijfsvoertuigen bevinden en bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof voor deze voertuigen, of die zich bevinden in containers voor speciale doeleinden die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de werking, tijdens het vervoer, van systemen waarmee deze containers zijn uitgerust, worden in België niet met accijnzen belast.

§ 2

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a)
normale reservoirs:
de door de fabrikant blijvend in of aan alle voertuigen van hetzelfde type als het betrokken voertuig aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van het voertuig als, in voorkomend geval, voor de werking van koelsystemen en andere systemen tijdens het vervoer. Als normale reservoirs gelden ook gasreservoirs die zijn aangepast voor het gebruik in voertuigen en die het rechtstreeks verbruik van gas als brandstof mogelijk maken, alsmede de reservoirs die zijn aangesloten op andere systemen waarmee die voertuigen eventueel zijn uitgerust;
de door de fabrikant blijvend in of aan alle containers van hetzelfde type als de betrokken container aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt voor de werking, tijdens het vervoer, van koelsystemen en andere systemen waarmee containers voor speciale doeleinden zijn uitgerust;
b)
containers voor speciale doeleinden:
alle containers die zijn uitgerust met aangepaste koelsystemen, systemen voor zuurstoftoevoer, thermische isolatiesystemen of andere systemen.

Artikel 431
[De Koning] stelt de voorwaarden vast waaraan kerosine en gasolie moeten beantwoorden wanneer ze niet worden gebruikt als motorbrandstof in de zin van artikel 419. Hij kan daartoe bepalen dat herkenningsmiddelen of denatureringsmiddelen aan die energieproducten moeten worden toegevoegd. Hij bepaalt eveneens de toe te passen modaliteiten en de formaliteiten die moeten worden vervuld om de vrijstellingen bedoeld in artikel 429 te verkrijgen. Tenslotte stelt hij de te volgen procedure vast om een dubbele belasting te vermijden op de benzines die worden verkregen bij de terugwinning van benzinedampen in een dampterugwinningseenheid, onder de voorwaarden bepaald in artikel 428, § 2.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 106 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Afdeling V Algemene en strafbepalingen

Artikel 432

§ 1

De Koning is gemachtigd tot het treffen van enigerlei maatregelen om de heffing en de invordering van de accijnzen vastgesteld bij artikel 419 te verzekeren.

§ 2

De Koning is gemachtigd om het toezicht te regelen van de belastingentrepots en iedere inrichting waar energieproducten en elektriciteit worden voortgebracht, verwerkt, voorhanden gehouden of doorverkocht.

§ 3

De volgende personen zijn gehouden zich te laten registreren overeenkomstig de voorwaarden opgelegd door de Koning:
iedere distributeur van aardgas of elektriciteit;
iedere netbeheerder van aardgas of elektriciteit;
iedere producent en handelaar in kolen, cokes of bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger;
iedere handelaar in energieproducten (met uitzondering van aardgas, kolen, cokes en bruinkool) die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en dit, onafhankelijk van het feit dat hij eventueel de hoedanigheid van geregistreerde geadresseerde of tijdelijk geregistreerde geadresseerde bezit;
iedere houder van een tankstation;
[iedere persoon die voor zijn zakelijk gebruik van een vrijstelling inzake accijnzen, of van het verlaagd tarief voorzien in artikel 419, i), iii); 1, a wenst te genieten, met uitzondering van:
de personen die van de vrijstellingen voorzien in artikel 429, § 1, f), of g) of § 2, g) wensen te genieten;
de personen die van de vrijstelling voorzien in artikel 429, § 2, b) wensen te genieten;
de personen die van de vrijstelling voorzien in artikel 429, § 2, d) wensen te genieten.
]
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder de hiervoor vernoemde categorieën en stelt de modaliteiten van de registratie vast.

§ 4

De Koning bepaalt de modaliteiten voor het in kennis stellen van de Commissie van de Europese Unie van de vereiste informatie en van de te lande van toepassing zijnde belastingniveaus van de producten vermeld in artikel 419. Voor het bepalen van deze belastingniveaus neemt Hij alle geheven indirecte belastingen (btw uitgezonderd) in aanmerking, rechtstreeks of niet rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van de uitslag tot verbruik.
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 107 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).
§ 3, lid 1 gewijzigd bij art. 78 Wet 20 november 2022 (BS 30 november 2022).
Voorgeschiedenis
§ 3 gewijzigd bij art. 4 Wet 14 december 2015 (BS 23 december 2015 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2016 (art. 5).

Artikel 433
[De Koning] kan de voorwaarden bepalen waaraan energieproducten moeten voldoen bij het gebruik, de verkoop of het voorhanden hebben ervan als brandstof voor het aandrijven van motoren van voertuigen die op de openbare weg rijden, [...] en als brandstof voor het aandrijven van motoren van particuliere pleziervaartuigen bedoeld in artikel 429, § 1, g) en § 2, g), voor de vaart op binnenwateren of communautaire wateren].
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 8 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)), bij art. 108 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)) en bij art. 9 Wet 18 december 2015 (BS 29 december 2015), met ingang van 1 januari 2016 (art. 21).

Artikel 434
De ambtenaren van [de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen] zijn gemachtigd op elke plaats monsters van de in artikel 433 bedoelde producten te nemen.
De belastingplichtigen moeten die monsters kosteloos laten nemen, en ook kosteloos recipiënten verstrekken waarin die monsters zullen worden verpakt.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 95 Wet 25 april 2014 (BS 16 mei 2014), met ingang van 16 mei 2014 (art. 99).

Artikel 435
Personen die andere energieproducten hebben ontvangen dan deze waarvoor een tarief inzake accijnzen is vastgelegd in artikel 419, moeten ten genoegen van de ambtenaren van [de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen] aantonen welke bestemming aan die producten is gegeven.
Op elk verzoek van deze ambtenaren dienen zij onder meer onmiddellijk hun facturen, boeken, andere boekhoudkundige stukken en eventuele fabricageregisters over te leggen, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 207 van de algemene wet inzake douane en accijnzen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 95 Wet 25 april 2014 (BS 16 mei 2014), met ingang van 16 mei 2014 (art. 99).

Artikel 436
Elke overtreding van dit hoofdstuk waardoor de invorderbaarheid van de in artikel 419 vastgelegde accijnzen ontstaat, wordt bestraft met [een geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken accijnzen] met een minimum van [625 euro.]
In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld.
Ongeacht voormelde strafbepalingen worden de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die bij de overtreding hebben gediend of daartoe waren bestemd, in beslag genomen en verbeurdverklaard.
Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier tot twaalf maanden:
wanneer de in artikel 415 bedoelde producten zijn vervaardigd zonder voorafgaande aangifte of werden onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van de accijnzen verzekert;
wanneer het bedrog wordt gepleegd hetzij in een geheime inrichting, hetzij in een regelmatig gevestigde fabriek doch elders dan in de op regelmatige wijze aangegeven lokalen.
[Hij die de in vorig lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar.]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 46 Wet 21 december 2009 (BS 31 december 2009 (ed. 2)), bij art. 105 Wet 17 juni 2013 (BS 28 juni 2013 (ed. 1)) en bij art. 41 Wet 28 april 2019 (BS 6 mei 2019).

Artikel 437
Elke overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk of van de maatregelen getroffen krachtens de artikelen 431 en 432 en die niet wordt gesanctioneerd bij artikel 436, wordt bestraft met een geldboete van 625 EUR tot 3 125 EUR.

Artikel 438
Elke overtreding van de ter uitvoering van artikel 433 genomen besluiten, de belemmering of het verzet tegen de uitoefening van het recht bedoeld in artikel 434, eerste lid, en de weigering om aan de verplichtingen van artikel 434, tweede lid, en artikel 435, tweede lid, te voldoen, wordt bestraft met een geldboete van 500 EUR tot 5 000 EUR.
In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld.
Bovendien wordt het voertuig waarvan de motor op de openbare weg wordt aangedreven met energieproducten die niet beantwoorden aan de overeenkomstig artikel 433 door [de Koning] bepaalde voorwaarden, wanneer het is uitgerust met een ander reservoir dan die bepaald in artikel 430, § 2, a), in beslag genomen en verbeurdverklaard.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij art. 109 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Artikel 439
Onverminderd de bij de artikelen 436 tot 438 bepaalde straffen zijn de accijnzen altijd opeisbaar, met uitzondering van de accijnzen verschuldigd op de accijnsproducten die, naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 436, effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurdverklaard of bij wege van transactie aan de Schatkist worden afgestaan.
De op de verbeurdverklaarde of afgestane goederen niet meer opeisbare accijnzen zullen niettemin als basis dienen voor de berekening van de overeenkomstig artikel 436 op te leggen boeten.

Artikel 440

§ 1

De bepalingen van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen zijn toepasselijk op de bij deze wet ingestelde bijdrage op de energie en controleretributie.

§ 2

[De verwijzingen naar “accijns”, “accijnzen”, “energieproducten en electriciteit” in de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen”], zijn uit te leggen als verwijzingen naar de nationale indirecte belastingen en alle energieproducten en elektriciteit respectievelijk bedoeld in artikel 414, § 1, en artikel 415.
Wetshistoriek
§ 2 gewijzigd bij art. 110 Wet 21 december 2013 (BS 31 december 2013 (ed. 2)).

Afdeling VI Bekrachtigingen en opheffingen

Artikel 441
Worden bekrachtigd voor de periode waarin ze van toepassing waren:
het koninklijk besluit van 29 februari 2004 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie;
het koninklijk besluit van 29 februari 2004 houdende diverse bepalingen inzake accijnzen.

Artikel 442
Opgeheven worden:
de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit;
de bepalingen van de artikelen 5, 6, 10 en 15 van de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een bijdrage op de energie ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid.